De bal ligt stil op het scherm. Misschien ligt de bal echt stil of misschien heeft mijn digibox beslist dat bewegende beelden een betalende optie zijn en ik maar een basispakket heb. Het is moeilijk te zeggen. Ik lig languit in de zetel. Natuurlijk lig ik hier, het is al zondag. Eén hand zit in een zak chips. De andere in mijn short, twee plaatsen waar zelden belangrijke dingen ontstaan die later van pas kunnen komen.
“Het zit hem in de details,” zegt Eddy Demarez. En hij zegt dat alsof hij zelf die waarheid heeft uitgevonden. Ik neem hem dat niet kwalijk. Demarez is niet slecht, daar niet van, want hij klinkt dikwijls alsof hij begrijpt wat er op het veld gebeurt, en dat is veel meer dan ikzelf kan zeggen. Want het interesseert me allemaal maar matig en juist daarom moet ik opletten. Even niet kijken en ik ritsel in de verkeerde zak. Geloof me, paprika aan je scrotum is een risico dat je maar één keer bewust neemt.
“Ze moeten het spel beter lezen”, hoor ik hem stil, bijna gedempt zeggen alsof hij ook weet dat mannen in deze huiskamer meestal in de leegte praten. “Zien wanneer het gat er is.” Deze zin doet mijn gedachten naar boven schieten, naar mijn vrouw die ligt te slapen. “Beter het spel lezen”. Ik probeer al zo lang haar spel te lezen maar raak meestal niet verder dan de eerste zin terwijl zij al aan de laatste alinea zit.
Op het scherm wordt iemand in de diepte gestuurd. De spits staat meters buitenspel. Ik zie de vlag, hoor het fluitje en alles stopt om opnieuw te beginnen. Fascinerend is dat niet echt. Iedereen probeert als eerste aan de goal te zijn en dan word je gestraft omdat je te vroeg bent. Precies mijn leven, denk ik. Ik herken dat. Soms peis ik dat ik heel mijn leven al buitenspel sta, met een verkeerde timing. Ook al is het paal binnen, ik word afgevlagd. Het telt niet. Het voelt nochtans alsof het wel telde maar ik zat dan een fractie te vroeg of te laat in het gat.
Zo’n WK heeft iets geruststellends want iedereen doet alsof het ertoe doet, en daardoor doet het er ook toe. Er is een spelschema, met groepsfases, een knock-outfase, twee halve finales en uiteindelijk een finale met een duidelijk einde, één ploeg wint en die is kampioen. De rest gaat naar huis. Zelf heb ik niet dikwijls zo’n duidelijke afspraak met de toekomst gehad.
Ondertussen is het bijna twee uur. “Die moet erin,” Demarez zegt dat luider, met een soort vermoeide woede, waarschijnlijk omdat hij voelt dat hij in de leegte spreekt. De spits staat weer alleen voor doel maar hij twijfelt een fractie te lang en dat is genoeg. Hij trapt. De bal schampt de paal en botst terug het veld in.
“Dat scheelde niets!” En dat is het soort zin waar ik kwaad van word want het scheelde alles. Het is het verschil tussen iets waar je later over stoeft en iets waar je over zwijgt. Ik heb die momenten ook gehad. Dan dacht ik die zit er goed in, op de juiste plaats, de timing klopt, alles gaat vanzelf en dan zat ik juist niet ver genoeg of juist te ver om hem gewoon binnen te duwen.
Gewoon. Dat woord heeft ook zoiets onnozels. Alsof alles altijd zo simpel is. Alsof faalangst en twijfel, wegvallen zodra iemand “gewoon” zegt. In gesprekken is dat ook zo. “Ge moet gewoon wat meer praten, “gewoon” beter luisteren, “gewoon” beter uw best doen, alsof het leven zelf een lege goal is en je hem gewoon maar moet binnen duwen.
De match kabbelt verder. Er is minder tempo en meer misverstanden. Er wordt minder gelopen en er worden nog minder ballen goed geraakt. Af en toe is er een duel dat meer weg heeft van een misverstand of van commedia dell’arte. De scheidsrechter laat doorspelen, met het fluitje in de mond maar met te weinig goesting om erop te blazen.
Mijn vrouw roept ineens van boven. “Kom je sebiet ook?” Ik hoor de vraag duidelijk, misschien iets te duidelijk. Ze klinkt zelfs een beetje onheilspellend. Vragen die te duidelijk of onheilspellend zijn, kan je best op voorhand interpreteren.
“Kom je sebiet?” en ik denk aan die spits van daarnet en kijk nog eens naar het veld. De verdediging schuift naar voor en is klaar om de spits opnieuw te verrassen.
Demarez zegt: “Hij geloofde erin, maar hij dook toch weer iets te vlug in het gat.”
“Kom je sebiet?” Volgens mij is mijn buitenspelval net opengegaan.
