Onderbroeklogica en een zure ochtendwalm

Half wakker, half met mijn hoofd nog in een droom, sta ik in mijn onderbroek in de keuken met een lepel in mijn hand. De koffie dampt. Ik weet niet zeker of ik er al in geroerd heb, ook niet of ik er al suiker ingedaan heb. Droom ik nu dat ik al wakker ben?

“Eerst een duik in de vijver. Koud water zal me goed doen”.  Water op mijn vel is zo iets dat ‘s mogens automatisch door mijn hoofd wordt beslist. Het duldt geen discussie.  En toch pruttel ik tegen, ook automatisch, “Serieus, ga je nu al die vijver in? Je verspreidt nog een ochtendwalm alsof er een dode mus onder je tong zit. Je vissen gaan doodvallen, een rappe douche dan misschien?”

“Ok, maar eerst koffie. Altijd eerst koffie”, zeg ik tegen niemand en doe verder alsof deze morgen een duidelijke routine heeft. Ik neem een slok. Veel te vroeg en veel te heet, zo blijkt want mijn tong trekt zich terug zoals mijn piemel dat doet wanneer hij merkt dat de temperatuur van het water minder dan zes centimeter is. Met een verdoofde tong en met slapers in mijn ogen wordt mijn aandacht ineens gegrepen door het pakje sigaretten. Het ligt daar zoals het daar altijd ligt, naast mijn portefeuille en mijn sleutels. “Koffie en een sigaret, dat is toch de juiste volgorde”, zeg ik opnieuw tegen niemand.  Ochtenden hebben regels en structuur nodig, anders vallen ze uit elkaar. En ik vind dat er rust zit in voorspelbaarheid. Koffie, een sigaret en daarna ‘t wc. Ik weet ondertussen hoe het moet.

Dan ruik ik aan mijn adem. Het is te zeggen, eerst lik ik aan mijn hand en wapper de geur in mijn richting. Ik ruik nog steeds dezelfde zure ochtendlucht van een nacht die nog niet helemaal vertrokken is en waarin ik precies een onfrisse overjaarse MILF gebeft heb. En plots voelt dat eerste idee van die vijver iets minder noodzakelijk want ik stink vreselijk uit mijn bek. Het is zelfs een beetje gênant.

Van waar het komt weet niemand maar ineens is daar compleet onaangekondigd een ander dwingend bevel dat ook geen discussie duldt. “Ga nu naar de wc”. Mijn lijf laat zich blijkbaar niet plannen en volgt geen logisch schema, het trekt zich gewoon nul de botten aan van mijn zelf opgebouwd ritueel dat er tot nu toe nog geen is geweest.

“Eerst nog een slok koffie en dan gewoon verder doen alsof ik niet door iets van buitenaf gestuurd word. Alles nog even uitstellen”, zeg ik opnieuw tegen niemand die ondertussen al met zijn drieën zijn. Met dat uitstelgedrag gun ik mezelf de illusie dat ik controle heb.

Op de wc zit ik dan toch plots stil. Dat is misschien het enige moment van de morgen waarop alles even mag stoppen zonder dat ik er moeite moet voor doen. Even zijn er geen keuzes en geen volgorde. Gewoon zitten, een beetje naar de muur kijken, en voelen hoe mijn lijf leegloopt en mijn hoofd vol.

“Ok, Koffie. Kakken,tanden… vijver.” Ik zeg het luidop, alsof ik iemand probeer te overtuigen die al lang weg is.  Na de wc kijk ik naar mijn tandenborstel. Hij kijkt terug alsof die me iets wil verwijten. “Eerst poetsen”, roept hij. “Maar koffie na tandenpoetsen maakt mijn bek opnieuw smerig”, protesteer ik in gedachten. En met dat dilemma kom ik helemaal vast te zitten  tussen twee tegenstrijdige keuzes die elkaar in stand houden, maar niet genomen worden, en het is nog maar half acht.

 “Koffie. Kakken, tanden…vijver.” Het klinkt allemaal heel overtuigend en logisch maar ik hoor alleen de twijfels van mijn eigen stem. Ik neem nog een slok. Even testen of die koffie al beter smaakt. Dat doet hij niet. Het is nog steeds dezelfde gewone koffie.

Water heeft geduld, meer dan ik ooit zal hebben”, denk ik want in mijn hof wacht de vijver nog altijd uitnodigend op mijn gezelschap. “Hij ligt daar maar te liggen en trekt zich niets aan van al mijn ingebeelde schema’s die in ’t honderd blijven lopen. Even stel ik me  voor hoe het zou zijn om gewoon te gaan. Zonder koffie, zonder tanden poetsen, zonder plan. Gewoon naar buiten, blote voeten door het natte gras, en net op tijd koud water op mijn vel voor het denken kan beginnen.

Maar ik beweeg niet. In plaats daarvan maak ik een boterham. Want ergens in die warboel van besluitloze volgordes bedenkt mijn lijf dat eten nu logischer is. Zoals altijd smeer ik choco veel te dik, alsof meer choco mijn beslissingen meer gewicht zal geven. Ik sop mijn boterham in de lauwe koffie, neem een hap maar proef nauwelijks iets. Mijn hoofd zit bij de vijver, bij de tandpasta, bij mijn zure ochtendwalm en bij die denkbeeldige versie van mezelf die altijd alles in de juiste volgorde wil doen en daar nooit in slaagt.

Dat pak sigaretten blijft liggen. Dat is nieuw of misschien valt het me nu pas op. Ik schuif het pakje een beetje opzij, alsof ik met die handeling plaats wil maken voor een nieuwe gedachte, een nieuwe keuze. Ik maak ze niet.

De koffie is ondertussen koud maar drink toch verder. Niet omdat ik dat wil, maar gewoon omdat hij er toch staat. Meer redenen heb ik niet nodig.

Dit is zo ongeveer mijn dagelijks ochtendritueel, alleen het is er nooit echt één. Eigenlijk doe ik elke morgen niks anders dan half wakker, half dromend, rondjes draaien rond een vijver die niets van mij vraagt. Ik kijk naar buiten. Het water beweegt rimpelend, alsof het me uitlacht. Ik kan dat niet goed zien van hierboven. En ineens denk ik dat ik er al in ben geweest. Daarstraks net voor die koffie. Die is ondertussen ijskoud geworden en dat is misschien het eerlijkste aan deze ochtend. Alle zaken die “heet” moeten blijven, worden uiteindelijk toch ijs- en ijskoud. Kijk maar naar mijn… (puur uit zelfbehoud beslis ik om deze zin niet af te maken, deze ochtend is namelijk al moeilijk genoeg zo)

Ik zet mijn zjat neer en wacht. Op wat? Dat weet ik niet. Misschien op het moment dat één van die versies in mijn hoofd eindelijk kan beslissen wat er eerst moet gebeuren.

Ondertussen blijft mijn boterham liggen. Mijn tandenborstel ook. Buiten trekt de vijver zich daar niets van aan.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.