Mijn nacht

Mijn nacht is een kamer zonder ramen. Er cirkelen luidruchtige vogels rond die nergens kunnen landen. Mijn gedachten hangen erbij, als een mist die weigert op te trekken.

Aan het voeteinde zit een gestalte, een vijand of een vriend, dat weet ik niet. Met zijn donkere ogen kijkt hij naar mij zoals ik soms naar mezelf kijk. Met een mengeling van ongeduld en onzekere mildheid en een oordeel dat hij zelf nauwelijks begrijpt.

Mijn verstand wil loslaten, maar vanbinnen blijft iets rechtop staan. Stil, maar alert. Alsof de dag mijn gedachten nog even bij zich wil houden om uit te spreken wat gedurende de dag onuitgesproken bleef.

De nacht zit er naast, geduldig als altijd. Hij dringt zich niet op. Hij wacht.

Mijn lichaam ligt dan wel horizontaal, maar mijn denken blijft overeind als een nachtwaker die niet afgelost wil worden. Ik woel, ik draai, ik keer, maar de nacht weigert mee te draaien. Hij probeert een vorm te vinden die nog niet te vormen is.

Het lukt niet om de twijfels van de dag uit mijn systeem te trekken. Precies alsof ik nu pas voel wat ik overdag slechts vluchtig aanraak zonder er aandacht aan te kunnen geven.

Dit is geen zachte vorm van wakker zijn. Het is wakker zijn zonder adrenaline, zonder haast.
Het is wachten op iets waarvan ik niet weet of het nog komt.

Misschien, verschijnt mijn rust straks als ik zachtjes erken dat de dag nog niet hoeft te verdwijnen, maar gewoon even naast me mag komen liggen. Gewoon liggen zonder opdracht, zonder verwachting. Met de ogen open in het donker.


Misschien komt er dan rust. Niet omdat ik de dag moet loslaten, maar omdat ik hem toesta om nog heel even te blijven.