Het is een doordeweekse maandagavond van dertien in een dozijn. Zoals gewoonlijk op een avond als deze, hang ik languit in de zetel, zitten kun je dat bezwaarlijk noemen. Ik ben volledig in camouflage-uitrusting. Korte broek, kousen met gaten, een halve zak chips, en met een vaag plan om straks misschien nog iets nuttigs te doen. Mijn vrouw, druk in de weer met de was en de strijk. De tv is behangpapier en speelt iets wat me zoals gebruikelijk, geen bal interesseert. Eindelijk. Rust
Elke man weet het. Want elk vredesverdrag is broos en elke stilzwijgende overeenkomst is gedoemd om ooit verbroken te worden. Vanachter de strijkplank klinken dan ook plots de gevleugelde woorden. “Zeg, moette nu eens iets weten?”
Elke man die zich in mijn situatie bevindt, weet instinctief wat die vraag inhoudt. Die ene zin doet, bij elke man die ooit voet zette in het gezinsleven, haren omhoogrijzen en het bloed stollen. Want het is niet zomaar een vraag. Het is een aankondigingsalarm van een monoloog van minstens een kwartier. Een tirade zonder climax, vol onnavolgbare emotionele diepgang en minstens vier vrouwelijke personages, waarvan drie dezelfde voornaam hebben. De lucht kleurt zwart, de barometer zakt, en ergens ver weg hoor ik een tweede donder. “Zeg Janneke, moette nu eens iets weten?”
Ik veer rechtop. Waarom er opeens een zwarte kat van mijn schoot springt weet niemand, want wij hebben niet eens een kat. Ik wijt het aan het overlevingsinstinct van dat ingebeelde zwarte beest dat op het punt staat zijn negende leven te verliezen, en aan mijn verbeeldingskracht.
Ze begint te vertellen.
Het gaat over iemand van haar werk, laat me haar gemakshalve X noemen. Ook al heb ik haar naam al minstens dertig keer gehoord, ik durf in deze fase van het “gesprek” niet toegeven dat ik dat telkens vergeet. Blijkbaar had X iets gezegd over Y tegen Z. Y vond daar iets van. Z had het gehoord en het tegen W gezegd. En toen… enfin, je kent dat wel.
Een vrouwelijk verhaal is nooit zomaar een verhaal. Het is een soort van nieuw sociaal universum, compleet met hoofd- en bijrollen, flashbacks en vol met onduidelijke relaties en verborgen morele lessen die niemand begrijpt. Ik hoor namen, gevoelens, omstandigheden. Ik kan al lang niet meer volgen, laat staan onderscheiden wie het slachtoffer is en wie de dader, maar ik blijf dapper knikken, en doen alsof ik luister maar mentaal praat ze tegen een blinde muur. Af en toe gooi ik er een “hmm” of “amai, echt” tussen, puur als hartslagcontrole en om te checken of ik nog adem.
Na ongeveer twaalf minuten begin ik te zweten. Niet van emotie, maar van pure schrik, want ik weet wat eraan zit te komen. Ze gaat het zeggen. Ze gaat het vragen. Die ene vraag die elke man tot wanhoop kan drijven. Mijn maag trekt samen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.
“Zeg. Wat denkt gij daar eigenlijk van?”
Inmiddels zit de ingebeelde kat met een staart zo dik als een tochthond helemaal in elkaar gedoken onder de zetel, instinctief, alsof ze voelt, ’t is hier gebakken met da schrijverke. Ik krimp ook ineen.
Mijn hoofd zit vol scenario’s. Wat kan ik zeggen? Als ik zeg “ik snap het”, peist ze dat ik haar niet begrijp. Als ik zeg “ge hebt gelijk”, denkt ze dat ik geen mening heb. Als ik zeg “amai, ook ni gemakkelijk”, peist ze dat ik me er zomaar vanaf wil maken. En als ik zeg “ik weet het niet, denkt ze dat ik het wel weet maar het niet zeg omdat ze denkt dat ik haar verdenk dat ze van mij denkt dat ik een betweter ben.
“Maar allez serieus… wat denkt gij daar nu van?”
Mijn brein slaat tilt. Paniek kruipt in mijn maag, mijn hartslag gaat crescendo en koud zweet staat in de spleet die de linkerhelft van mijn gat onderscheid van de rechterhelft. De ingebeelde kat kijkt ondertussen toe vanop veilige afstand onder de zetel en denkt, “gelukkig, ik heb negen levens. Da schrijverke heeft er maar één”.
Net op het laatste nippertje vooraleer de hemel wordt opengereten, herinner ik me de heilige zin. Die ene zin die alle mannen van generatie op generatie ooit fluisterend aan elkaar hebben doorgegeven. Ofwel op café, tussen twee pinten in, ofwel na een eerste huwelijkscrisis. Ze delen hem met elkaar en blijven het doen met hetzelfde respect dat anderen voor geloof en religie hebben.
“Neen, je overdrijft niet. X had dat niet mogen zeggen en Y had er niet zo emotioneel op mogen reageren. Ik denk dat je gelijk hebt.” Ik zeg het kalm, beheerst en zonder een enkele zenuwtic of vorm van emotie.
Ze kijkt me doordringend aan, één seconde… Twee seconden… Drie seconden. Dan knikt ze voorzichtig instemmend, “Voila. Dat dacht ik dus ook”, terwijl ze haar ogen op spleten trekt.
Ik heb het gehaald. Ik heb geluisterd. Of heb op z’n minst iets gezegd dat klinkt alsof ik geluisterd heb. De ingebeelde kat die haar schuilplaats verlaten heeft, begint gelukzalig te spinnen en ik zak opnieuw rustig achterover in mijn zetel met een hartslag die langzaam daalt en een bilnaad die opdroogt.
Het is voorbij. Tot ze zegt, “Nu ik erover nadenk. Wa bedoelde gij daar eigenlijk mee? Waarover heb ik gelijk?”
De ingebeelde zwarte kat springt uit het raam.
En ik? Ik overweeg ernstig om erachter te springen!
