
Vorige week liep ik op het strand van Arcachon. Met slippers in mijn hand, alsof ik ze niet meer nodig had. Even vergat ik dat ik ergens vandaan kwam. Het natte strand onder mijn voeten was koel, bijna onverschillig. De lucht sloeg om en was afwisselend staalblauw of zwaar overtrokken met zout en wind. Alles leek in beweging.
De oceaan lag voor me, niet als een grens, maar als een bekende herinnering.
Het tij kwam en ging, zonder uitleg, zonder pauze. Golven rolden met een onverwoestbare kracht mijn richting uit, alsof ze me iets kwamen vertellen. Even later trok de oceaan zich terug. Ik keek ernaar zoals je kijkt naar iets of iemand die je ooit goed hebt gekend, maar die nu alleen nog bestaat in het ritme van herinneringen, in eb en vloed.
Ik dacht aan wat ik te lang had vastgehouden. Niet met mijn handen, maar dieper vanbinnen. Gedachten bleven hangen met woorden die ooit of nooit gezegd zijn, met beelden die zich vastzetten op mijn netvlies. Alleen de oceaan leek het te weten. Hij vroeg niets. Hij oordeelde niet. Zijn golven namen voorgoed mee wat ik te lang had gedragen. Niet met geweld, maar met een vanzelfsprekendheid die ik niet in vraag stelde.
In dat wegnemen liet hij iets achter. Ruimte. Niks groots. Niks leeg. Wel open genoeg om diep te ademen. Alsof er in mij een deur openging en ik een ruimte vond waar het stil mocht zijn. Waar niets moest. Waar ik even mocht bestaan zonder richting.
Ik bleef lang staan. Niet omdat ik ergens op wachtte, maar gewoon omdat ik voelde dat ik mocht blijven staan. Dat ik niet langer moest genezen, niet hoefde te vergeten en niet hoefde te weten wat morgen zou brengen. Alles bewoog maar niets lag vast.
Toen ik verder liep, was het niet omdat ik uitgekeken was op die wilde oceaan of er genoeg van gekregen had, maar omdat ik wist dat ik verder mocht gaan. Arcachon, de oceaan, de herinneringen liet ik achter me. Of misschien draag ik ze voor altijd bij me. In het ritme van de stappen die ik nog zal zetten.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.