Eindelijk ben ik geland. Eindelijk! Hier ergens of misschien juist nergens. Ik ben op een plek aangekomen die niet op een kaart staat, zonder straatnaam en zonder huisnummer. Het zou een bank aan een vijver kunnen zijn of een open plek in een bos. Hier hangt stilte en rust in de lucht, ver weg van storend rumoer en gedoe. Hier hoef ik niet te streven, niet aan verwachtingen te voldoen en geen masker te dragen. Dit is simpelweg een plek waar ik niemand hoef te zijn.
Zo lang, zo wanhopig lang heb ik naar deze plek gezocht. Een heel leven lang zwierf ik rond, op zoek naar wat een therapeut als zielenrust zou omschrijven. Ik probeerde het te vinden op scholen, in klassen en gangen. Ik vulde klasagenda’s met overmoedige ambities en nutteloze verwachtingen en schreef schriften vol met overbodige onzin.
Omdat die humaniora me op een gebroken hart na niets had bijgebracht, ging ik op zoek bij studentenverenigingen. Ik zocht heil in codexen en broederschappen, in waarden, tradities en gebruiken waarvan ik dacht dat ze de mijne waren.
Later ging ik te rade bij sportclubs en jobs. Waar ik ook kwam, telkens bleef mijn vermoeide glimlach onhoorbaar om aandacht en bevestiging smeken. Zelfs in relaties en vriendschappen hunkerde ik naar die ene goedkeurende blik of bevestigende knik, die me zou zeggen, “ik zie je wel”. Ik was op zoek naar iets wat niet bestaat, naar iets dat mijn onrust voorgoed zou stillen of kon gelden als bewijs dat ik bestond. Soms bleef ik in die vermoeiende zoektocht maar net overeind. Je hebt het vast nooit gemerkt.
Toen ik nog niet zo lang geleden stopte met zoeken, verscheen deze dromende oude ziel op het toneel. Een die niets meer te bewijzen of te veroveren heeft. Ik vond hem diep in mezelf. Ik ontmoette hem in een hoekje van mijn hart, verborgen onder een dikke laag stof. Hij is een eenling, een kleine misantroop. Noem hem gerust dromer, vrije geest of onschuldige geliefde. Hij is niet onverschillig want hij blijft naar de wereld kijken zoals hij zou kunnen zijn, zou moeten zijn. Hij gedijt het best op een rustig plekje in de schaduw van die drukke rumoerige wereld waarvan hij met elke nieuwe dag meer afstand lijkt te nemen.
Zijn plezier komt voort uit kleine dingen die anderen misschien niet meer opmerken of ervaren. Hij wordt blij van de geur van de regen, van een gesprek met een zielsverwant, van het geluid van ritselende herfstbladeren of van het genot van ijskoud water op zijn huid dat s’ morgens al zijn zintuigen op scherp zet. Dat is genoeg. Dat is meer dan genoeg.
Zijn stille blik op de wereld, wordt niet altijd begrepen. Soms wordt hij afgedaan als excentriek, saai, (wereld)vreemd of een beetje verloren misschien. Maar hij weet beter. Als hij in de spiegel van zijn ziel kijkt, is hij niet langer bang om zichzelf te zien. Hij heeft niemand nog iets te bewijzen.
Die oude ziel ben ik, rauw en kwetsbaar, zonder ballast van alles wat ik niet meer ben. Hij houdt me elke dag een spiegel voor, een spiegel die dwars door het oppervlak kijkt van pretenties en façades. Eindelijk komt de persoon tevoorschijn die ik al die tijd heb proberen te ontlopen.
En toch, als ik eerlijk ben en diep van binnen kijk, hoor ik nog steeds dat kleine stemmetje in mijn achterhoofd, dat zachtjes fluistert, half plagerig en half bezorgd, “en wat als je nu toch iemand had kunnen zijn?”
