Ik geloof zelfs dat ik het was

En wat dan nog, wat ben je met mensen die de dingen niet los kunnen laten. Wat maakt het uit, dat eindeloze staren naar iets wat ooit was? Alles is vergankelijk, niets vanzelfsprekend. Als iets verdwijnt is het voorgoed weg en voorbij. Punt. Geef er geen betekenis aan en laat het los, zonder er verder nog aandacht aan te schenken.

Troost jezelf zonder zelfbeklag of zwaarmoedige emoties die nooit vaste grond zullen vinden. Eens je zover bent, twijfel dan niet. Verzamel geen ‘oude meubelen’ maar wees vastberaden en blijf bij je besluit. Mocht je twijfelen, kan deze zekere gedachte je misschien helpen, ‘Nooit zal je hetzelfde terugvinden van wat je hebt achtergelaten of bent kwijtgespeeld.’

Alles en iedereen verandert. Ik verander, het leven zelf verandert. Altijd is er wel iets nieuws te vinden, iets nieuws te ontdekken. Alleen, van zodra je denkt dat je iemand of iets gevonden hebt om voor altijd bij je te hebben, ben je het voorgoed kwijt of is het al veranderd.

Ik zou voor de stelregel moeten durven kiezen om nooit ergens nog spijt van te hebben en nooit meer achterom te kijken.

Voor iemand die tracht te leven zoals ik, is spijt namelijk tijdverspilling maar vooral een verspilling van energie, energie die ik nodig heb om nuttige dingen te doen. Ik kan het me niet langer veroorloven om er mezelf aan over te geven. Mijn gegeven tijd is te kort geworden. Ik mag niet langer leven als een teerling waarmee anderen kunnen bepalen hoe en wanneer er zich mee te amuseren.

Spijt is abstract. Ik kan er zelfs geen vorm aan geven. Feitelijk kan ik er niks mee aanvangen. Spijt of zelfbeklag (is dat geen variante van hetzelfde), is een meedogenloze draaikolk die me opzuigt om erin te zwelgen en rond te draaien en dat zo lang vol te houden tot ik tot niks anders meer in staat ben, om er uiteindelijk helemaal in te verdwijnen.

Al de tijd dat ik dit tekstje zat neer te schrijven was mijn andere ik in het duister van mijn hoofd aan het ijsberen om me op andere gedachten proberen te brengen. Hij liep alsmaar heen en weer te lopen en ging maar pas weg van het moment nadat ik deze gedachte begon te analyseren om ze los te kunnen laten. Hij vertrok, haastig en verward, maar ook een beetje verdwaald en tegelijk opgelucht omdat hij eindelijk vertrouwde stemmen meende te horen.

Ben jij het die ik hoor, riep hij?

Op dat eigenste ogenblik durfde ik zelfs te geloven dat ik het was.