Kerstmis anno jaar nul

>Ja Jef wat nu weer?

< Kan die kleine echt niet van mij zijn?

> Neen Jef, hoeveel keer nog. Wanneer zou dat dan moeten gebeurd zijn? Gij waart dag in dag uit met die stomme meubelen bezig, en nu moet dat manneke, ocheere, nog tussen ’t strooisel in een trog slapen.

< … Ook niet van die ene keer, in Herodus zijn stal? Weet ge ’t nog?

> Nee Jef, van dan ook niet. Want toen uw klokken gingen luidden, moest gij rap-rap de kerk uit omdat ge geen propere varkensblaas bij had. Trouwens gij waart de schuldige van die plekken op mijnen onderrok. Ze zijn er begot nog niet uit!

< Dus den Heilige Geest heeft mij die horens gelapt terwijl ik ganser dagen die slaapkamer van ‘onze vader’ aan het maken was. Schoon voorbeeld voor de jeugd is dat!

Maar zeg, eens iets anders. Ik ken alleen iets van eik en beuk en van beitels en hamers. Van klein mannen weet ik niks, maar waarom heb je eigenlijk een taljoor op dat ventje zijn koppeke geplakt? Hij is dan wel niet uit mijn schrijnwerkersbroek geschud, maar ze gaan hem daar voorzekers mee uitlachen, peisde niet.

< Zeg Jef, niet beginnen he.  Het is voor mij ook niet gemakkelijk. Ik wou niet in positie zijn en ik wou al helemaal niet bevallen in een stal tussen een os en een ezel. Ik heb gans de nacht sterren gezien maar ik heb die taljoor niet op zijn koppeke geplakt. Daarbij dat is geen taljoor, dat is een aureool en die was er al, daardoor ben ik onderaan helemaal in tweeën gescheurd. En begot wat doen die drie verklede koningen hier. Ik kan geen broek verdragen en die zwarte is de hele tijd naar mijn kapotte foef aan ’t staren. En doe asjeblieft dat wierrookstokske uit, ik krijg daar migraineaanvallen van, daarbij da stinkt.

Kerstmis in het jaar nul was ook geen lachertje.