Gisteren, een Belgische zomerdag van dertien in een dozijn. De zwaarwegende vochtigheid zat als een slome kater in mijn hoofd te spinnen terwijl ik wegdroomde op een traag en stoffig pad van een dagdroom die nergens naartoe leidde, op zoek naar iets dat ik niet kon benoemen en mogelijks niet eens bestaat, de waarheid!
Was het die discussie over ‘de paradox van de waarheid’ en de gedachtenuitwisseling die we er laatst over hadden en als een vochtige bries door mijn gedachten bleef waaien die me op deze stoffige weg hadden gezet? Waren het die filosofische wijsheden of de alomtegenwoordige uitspraken die als een onzichtbare ‘Vrouwe Justitia’ met haar strenge blik overal op de loer ligt, gereed om al mijn innerlijke gedachten af te wegen en te analyseren op de weegschaal van eerlijkheid en rechtvaardigheid.
Waren het die ingebeelde filosofische rechters die als poortwachters hun vonnis vellen over mijn ingetogen monoloog en over al mijn innerlijke overwegingen, die me in deze rusteloze dagdroom hebben ondergedompeld? Stel me de vraag niet want een antwoord heb ik niet, wat ik wel weet is dat zelfs oude, alom geprezen filosofen die ooit dicht bij de waarheid stonden, zichzelf ook wel eens tegenspraken. Neem nu Boeddha een denker die een leven lang waarheden en wijsheden uit zijn druivelaar schudde.
Gezeten onder de schaduw van een of andere kromgebogen levensboom, sprak hij ooit de gevleugelde woorden, “Verlangen is de wortel van alle lijden.” Ik laat de woorden tot mij doordringen, wie ben ik om ze te betwisten? Ik wil ze wel accepteren. Soms is het beter een verwachting op te geven om er een verlangen mee te kunnen vervullen, bedenk ik me. Maar zoals elk onopgelost raadsel blijft knagen, duikt plots een andere uitspraak op uit de schatkist van zijn levenslessen. “Doorgrond en begrijp eerst je eigen verlangens.” Daar zat ik dan midden in de tweestrijd van mijn gedachten. Hoe kan ik mijn verlangens doorgronden als ik ze tegelijkertijd moet loslaten?
Is dat niet hetzelfde als tegen iemand zoals ik zeggen dat ik moet stoppen met hunkeren naar een glas wijn, maar tegelijkertijd moet proberen begrijpen waarom ik soms kwijl bij de gedachte eraan?” Dat is advies, waarbij de naald van mijn innerlijk kompas alle richtingen aanwijst behalve dat van het nuchtere Noorden.
Om bij de beeldspraak van dat kompas te blijven en om het allemaal nog een beetje ingewikkelder te maken, voegt Boeddha eraan toe.
“Verlangen, mijn vriend, is als een kompas zonder naald. Begrijp eerst je eigen noorden voordat je anderen de weg wijst.”
Deze zin voelt eveneens aan als wijsheid waarbij ik me als nederige onwetende gerust wil neerleggen. Tot een andere uitspraak in de lucht geworpen wordt en de oorzaak is van al mijn verwarring.
“Je identiteit en het zelf is een illusie, het zelf is een schaduw die verdwijnt in het ochtendlicht. Volg je pad, maar zwaai niet met je schaduw.”
Een frons trekt diepe groeven op mijn voorhoofd en een lach ontstaat op mijn mond wanneer ik deze wijsheden in omgekeerde volgorde lees, om niet gezegd te hebben dat mijn verstand ervan knettert tot een kortsluiting. Hoe kan ik begrijpen wie ik ben, mijn pad volgen en mijn schaduw omarmen als mijn identiteit en mijn zelf een illusie is? Hoe kan ik zoeken naar mijn noorden en tegelijkertijd vaststellen dat het kompas er niet eens is?
Deze Belgische zomerdag van dertien in een dozijn is duidelijk niet de dag waarop de filosofische puzzels van het leven worden opgelost zelfs niet met Boeddha in persoon als partner in crime. Toch vind ik in zijn tegenstrijdige uitspraken een spiegel van mijn eigen complexiteit die ik mijn waarheid mag noemen, wetende dat zelfs de grootste verlichte geesten een vleugje menselijke sprankeling hebben en af en toe in onbegrijpelijke raadsels spreken.
En de echte waarheid dan? Laat ons het daar een andere keer over hebben.
