Oneindig labyrint

In de kleinste uren van de nacht, terwijl de wereld vredig slaapt, dwaal ik door de gangen van mijn gedachten. Ik blijf er gekluisterd aan de verborgen schatten van mijn geest. Elke gedachte, elke keuze, klein of groot wordt ontoombaar door mijn geest ontrafeld, geanalyseerd en omgedraaid al ware het een kostbaar manuscript.

Ik ben een onrustige slaper, mijn brein weigert te rusten, ook nu weer. Het gaat op zoek naar onvindbare dingen uit het verleden of het spint garen op onzekerheden van de toekomst. Niets gebeurt zomaar of vrijblijvend, geen enkele beslissing simpel, stom, klein of groot wordt lichtvoetig genomen.  ‘s Nachts gebeurt alles weloverwogen alsof het allesbepalend is voor mijn lot. Alsof alles ervan afhangt.

De meeste mensen, zelfs diegenen die dicht bij me staan snappen er niks van. Ze noemen me besluiteloos, lui of zweverig.  Ze hebben geen idee.  Ze begrijpen niet dat die paniekerige twijfel nodig is om er elke losse rafel aan vast te maken. Het lijkt misschien niet zo, maar àls ik dan eenmaal mijn koers bepaald heb, zal geen enkele storm me van mijn pad kunnen brengen.

Overnacht zijn mijn gedachten net als stille kerkklokken die elk uur onhoorbaar luiden, alsof ze in alle stilte mijn beslissingen aankondigen.  De echo ervan weerklinkt alleen door in de ruimte van mijn grote hoofd om ze daar nog wat verder te onderzoeken.

Overdag reageer ik eerder impulsief. Omdat mijn geheugen moe is of omdat ik blindelings vertrouw op oplossingen die mijn gevoel me s’ nachts hebben ingefluisterd.

Doorheen de dag raast de wereld met snelle tred haastig voorbij terwijl ik nood heb aan vertraging. Door te leven met de voet op de rem wordt het gemakkelijker om van het moment te genieten zonder me met zinloze dingen te hoeven bezighouden. Maar mijn gedachten blijven voortdurend vooruit en achteruit reizen. Met schetsen uit het kladboek van het verleden schilderen ze scenario’s van wat in de toekomst kan zijn, terwijl hun schaduwen onzichtbaar over mijn schouders sluipen.

Telkens opnieuw blijf ik mijn innerlijke kompas ijken om bewuster te leren van de hartslag van het moment. Met die tijd kan ik mijn gedachten bevrijden van hun constante zoektocht naar antwoorden op vragen waarop geen antwoord bestaat. Misschien dat ik daarom nooit te laat kom, om beter voorbereid te zijn op datgene wat komt, om niet verrast te worden maar ook omdat ik in mijn hoofd minstens drie alarmklokken heb gezet.

Je zou het me niet nageven maar mijn onuitgesproken verwachtingen zijn hoog opgespannen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de wereld rondom mij.  Mijn streven naar de perfectie van innerlijke rust lijkt soms een vloek, maar het is mijn drijvende kracht om de juiste dingen te blijven doen.

Door die onrust maak ik relaties waarschijnlijk gecompliceerd en hoogstwaarschijnlijk moeilijk. Ik weet dat wel. Samenleven met mij zal af en toe een verschrikking zijn, omdat ik in mijn hoofd elke woordenwisseling, elk stilzwijgen of elk luider gesproken woord een andere lading geef door er een diepere of andere betekenis aan te geven dan diegene die jij eraan gaf.

Hier sta ik dan naar mezelf te kijken, als overdenker van de gedachte, elke dag op zoek naar een zandkorrel in de woestijn.  In de betonnen wereld die er vaak voor kiest om oppervlakkig te zijn blijf ik zoeken naar een klavertje vier. Het lijkt dan alsof ik gevangen zit in een oneindig labyrint, waarvan elke gang leidt naar een andere gang, naar een andere vraag, naar een nieuw inzicht of naar een ander soort begrip.

Ik geeuw, het is ondertussen zeven uur ’s morgens en jij wrijft de slapers uit je ogen, de mijne vallen dicht.