De tragikomedie van mijn bestaan wordt met de dag lachwekkender, zeker nu ik al zes weken vanuit mijn grijze ligzetel naar mezelf staar als hoofdpersonage van een absurde deurenkomedie. Zonder auditie te moeten doen schitter ik als rijzende ster op dit tijdelijke podium.
Toch, en zelfs nu mijn bestaan grotendeels beperkt is tot deze grijze ligzetel van waarop ik naar ’t plafond kijk, blijf ik zoeken naar de diepere betekenis van dit lot. Wat wil de wereld mij leren? Ik stel me die vraag oprecht, terwijl dat wereldje misschien alleen nog maar bestaat om me te leren lachen met mijn eigenwijze, dwaze zoektocht naar betekenis.
In een wirwar van gedachten wankel ik als een dronken clown op krukken, balancerend op de dunne koord tussen waanzin en luciditeit. Mijn geest heeft de afgelopen dagen alles weg van een circusattractie van ontspoorde emoties en waanzinnige gedachten zonder logica. Ze sleuren me mee door labyrinten van verwarring en onzin.
Waarom denk ik wat ik denk? Waarom voel ik wat ik voel, maar vooral waarom schrijf ik wat ik schrijf? Zijn het marsmannetjes in mijn hoofd die onafgebroken en onzichtbaar, aan een stuk door tokkelen op hun buitenaardse klavieren om zo hun onbegrijpelijke symfonieën van de nonsens te componeren. Ben ik een personage in een absurd filosofisch toneelstuk dat geleid wordt door een gestoorde regisseur of worden mijn gedragingen georkestreerd door een onzichtbare dirigent met een wel heel erg grillige smaak voor dramatiek? Of zitten er dan toch spaghettislierten in mijn brein die helemaal in de knoop geraakt zijn en mijn gedachtewereld veranderd hebben in een hilarisch onbegrijpelijke chaos?
Wat er ook van zij, op dit moment is het alsof ik elke handeling uitvoer als een marionet aan touwtjes in handen van een onhandige poppenspeler waarbij beweging het resultaat lijkt van een willekeurige loterij waarbij mijn beslissingen worden bepaald door een dobbelsteen met veel te veel zijden. Het leven geleefd als in een surrealistische droom waarin ik deels blootvoets rondren op krukken en achter mijn andere schoen aan hol, zonder te weten waar ik naartoe ga.
Als ik niet oplet word ik straks ècht mijn eigen tragikomische vertoning, als manke held in een film waarin ik alle personages tegelijk speel, het slachtoffer, de schurk, de bijrol en het publiek, allemaal tegelijkertijd en vooral zonder plot.
Zal ik anders mijn eigen absurditeit omarmen? Om me ècht te zien als een clown in het circus van het leven, als een figuur die met humor en zelfspot zijn eigen ongelukkige lot viert? Ligt daar dan de sleutel. Om mezelf met een knipoog en grijns te aanschouwen.
Ik blijf nog even op deze ingebeelde scene staan als clown van mijn eigen dwaze circus, lachend om de groteske komedie waarin ik ben aanbeland. Ik smijt een denkbeeldige hoed in de lucht, vang hem op met mijn bilnaad en geef me over aan absurditeit die me wapent tegen dit ondraaglijk licht bestaan.
Met deze absurde cirkelredeneringen van dit tijdelijke leven, ontvouw ik dit paradoxaal inzicht en omarm het met de humor van een paljas.
Lach clown, lach dan.
