Hier lig ik dan, in een ziekenhuisbed, even onbeholpen en verslagen als de moderne versie van Achilles, eigenaar van zijn onfortuinlijke pees. Gekluisterd aan dit bed, ben ik omringd door knappe, meestal blonde verpleegsters die getooid in smetteloos witte uniformen als Trojaanse godinnen op me neerkijken met een mix van medelijden en beroepsernst.
Ze geven me medicijnen, verschuiven mijn kussens, doen allerlei handelingen die alleen verpleegsters kunnen en geven me alle aandacht die ik nodig heb.
Toch vraag ik me af of ook zij me zien als dezelfde tragische Trojaanse held die ik me op dit ogenblik voel of ze me eerder zien als een zoveelste willekeurige patiënt met een onwillig weerspannige pees?
Bij elke intrede in mijn kamertje vragen ze mijn naam en geboortedatum terwijl deze info met een eenvoudige oogopslag af te lezen is van het label dat aan dit bed kleeft of van het bandje dat ik al twee dagen rond mijn pols draag.
Terwijl ik hier lig en pijn voel bij elke beweging die ik maak, kan ik niet anders dan me afvragen waarom juist ík dit weer moest ondergaan. Zou het omdat ik in mijn jongere jaren te veel riskante avonturen heb beleefd en daar mijn straf voor ontlopen ben. Is dit dan mijn finale boetedoening voor al die jaren van losbandigheid en onbezonnenheid? Het lijkt erop dat het universum me straft voor al mijn dwaasheden.
Omringd door mensen zonder echte connectie, verlang ik ‘als gewoonte’ zelfs nu naar diepere verbinding, maar mijn situatie maakt dat wat moeilijk. Daarom probeer ik tegenover de verpleegsters al mijn heldencharmes in te zetten, met stomme grapjes en nog stommere opmerkingen. Hoe kan een man met een gescheurde pees anders indruk maken? Ze lijken niet onder de indruk.
In de gang worden patiënten die zich in nog erbarmelijkere toestanden dan ik bevinden in ziekenhuisbedden voortgeduwd op weg naar hun ingreep. Toch overwint mijn zelfbeklag en mijn drama. Zij zijn vandaag mijn enige metgezel want ik voel me als een geknakte bloem in een veld vol lentebloemen.
“Jan Pultau / 13 september negentienachtenzestig en veertien minuten!”, zeg ik misschien iets norser dan een kwartier geleden nog voor ze me de vraag kan stellen. De blonde ziekenzuster glimlacht want ze ziet de absurditeit van de situatie ook wel in. “We hebben interne audit en moeten vandaag echt aandacht geven aan alle protocols en procedures, zelfs al zijn ze wat onnozel”, antwoordt ze een beetje verontschuldigend. “Ik ben net naar het toilet geweest, naar het kleine en het grote, dat mocht toch?”, vroeg ik bijdehand. Dat mocht gelukkig!
De dag kruipt tergend langzaam vooruit. Elk uur voelt als een kleine triomf die alleen gevallen Trojaanse helden kunnen ervaren, al lijkt deze weg naar het einde van de dag eindeloos te duren. Ik stel me voor hoe ik straks weer kan stappen als een onverschrokken avonturier, maar nu moet ik het alleen doen met mijn pijnlijke pees en met mijn zielig zelfbeklag.
Straks word ik ontslagen uit dit ziekenhuis en zal ik bevrijd zijn van dit bed en van de knappe verpleegsters. Ik zal hen inruilen voor mijn vertrouwde sofa en mijn knap zorgzaam lief. Zij kent mijn geboortedatum uit het hoofd.
Ik hoop dat ik dit tragische figuur uit de Griekse mythologie en gevangen zit tussen lachen en huilen en als een schaduw van zelfmedelijden achter me aansluipt hier in dit ziekenhuis kan achterlaten.
Want ook al heb ik de looks, ik ben echt geen Trojaanse held. Ik heb alleen dezelfde pijnlijke pees!
