Categorie: Heimwee

In rood omlijnde bladzijden

Ik blader in dagboekjes van onze pa en voel opnieuw hoe weinig woorden die mens nodig had om zijn kleine wereld te dragen.
Onze pa had geen Facebook. Geen Instagram. Hij had absoluut geen behoefte om digitaal herinnerd te worden. Hij had zijn eigen schrijfsels, bijgehouden in boekjes met vergeelde bladzijden en een rood randje. Hij schreef om te begrijpen, niet om gelezen te worden. Hij schreef over regen en wind, over pijn en geluk, over vissen die niet beten, over ons ma, ons, en over zijn kleinkinderen die hem jong hielden.

Maar tussen die banale regels lees ik nu grote dingen.
Ik lees woorden van een man, een vader, een grootvader en een vriend die zijn dagen op zijn manier groots wilde vastleggen, misschien om ons niet te laten vergeten dat ze allemaal hun waarde hebben. Het zijn zinnen van een kleine man met een groot hoofd maar een eenvoudig leven, dat hij op zo’n manier leefde om zichzelf te bevestigen dat het ertoe deed.
Dat hij ertoe deed.

En precies daarom blijven zijn denkbeeldige laatste woorden me raken.
Niet omdat ze hard klinken, maar omdat ze eerlijk zijn.
Hij heeft deze wereld niet dramatisch verlaten, maar nuchter, zoals hij was, zoals hij altijd geweest is en met woorden waarmee hij zoveel bladzijden eindigde, “Ik hou het hier voor bekeken.”
Hij wist wanneer de cirkel rond was.

Tussen zijn regels lees ik nu dingen die ik vroeger niet las. Ik voel vertrouwen en een overtuiging dat wij wel verder zouden kunnen, zelfs als hij dat niet meer kon.
Ik vind hoop en troost in woorden die hij niet voor mij schreef, maar die toch in mij blijven hangen. Zonder dat ik het besef zitten ze in mijn keuzes, in mijn verhalen, in hoe ik leef en voel en in de manier waarop ik naar buiten kijk en ineens aan hem denk.

Vandaag begrijp ik het allemaal een klein beetje beter dan acht jaar geleden.
Na verloop van tijd legt afscheid bloot wat overblijft wanneer alles wegvalt. Het is niet meer rauw of triest. Het is zijn humor, zijn warmte, zijn koppigheid, zijn kleine rituelen die overblijven. Opeens krijgt dat allemaal een andere betekenis, juist omdat het niet vanzelfsprekend is.

Schol, vader.
En ik zeg dat, niet als gemakkelijke troost, maar uit dankbaarheid.
Merci dat je er was.
Merci dat je ertoe deed.
Merci voor al die sporen die je achterliet, niet omdat ze in je dagboeken staan, maar omdat ze allemaal in mij zitten.

Schol.

Zoals jij het bedoeld hebt

Als ik eerlijk ben. Er is iets veranderd. Niet in het missen zelf, dat blijft, maar in hoe gemis zich gedraagt.
Het zit niet meer prominent op de voorgrond. Het dringt zich niet meer ongevraagd op. Het zit gewoon ergens achter mij, niet zwaar meer al is het er nog.
Ik heb in drie jaar geleerd dat missen niet meer beenhard hoeft te zijn. Het wordt stiller, milder. Gelijk een pull die ik al lang niet meer gedragen heb, maar nog een beetje naar vroeger ruikt. Ik weet niet waarom maar ik moet ineens aan die spuuglelijke muts denken die je ophad toen we gingen wandelen op oudejaarsavond een paar jaar geleden.

Soms heb ik gedacht of gehoopt dat herinneringen als deze voor altijd scherp zouden blijven.
Dat de contouren van je gezicht helder zouden blijven. Dat is niet zo. Soms heb ik al moeite om me je stem voor te stellen. Soms wil ik die scherpte terug want ik ben bang dat ik dat soort herinneringen helemaal aan het verliezen ben, beetje bij beetje, zonder dat ik het wil.

Vorig jaar voelde dat vreemder dan vandaag. Want er is nog veel blijven hangen. Hoe je van kleine dingen grote kon maken. Hoe je belachelijk enthousiast kon worden over zotte ideeën die alleen in jouw gedachten konden ontstaan. Wie wil er nu een zwembad bouwen met alleen gestapelde lege bakken bier en een plastieken zeil.
Soms betrap ik mezelf op een gedachte waarvan ik weet, die zou jij ook kunnen gehad hebben.
Misschien is dat wat overblijft, zonder drama maar met alleen de herinneringen aan wie je was.

Het is vandaag 29 juni. En ik voel ‘iets anders’, iets anders dan vorig jaar, iets wat ik nog niet helemaal ken. Ik voel voor het eerst ook geen drang meer om het te begrijpen of te benoemen.

Misschien is het dàt, zoals jij het bedoeld hebt.
Vanmorgen dacht ik aan jou, zonder schuldgevoel, zonder boosheid en met iets minder vragen.
Dat is nieuw Yannick. En ik denk voor het eerst dat je dat zo wel zou gewild hebben.

Zoals jij het bedoeld hebt.

Taaie ouwe duvel

“Zeg zooneke… ge zijt me toch wee nie vergeten zeker?”

Je allerlaatste kaartje hangt hier nog altijd aan ‘t prikbord. “Nee pa, ik ben je niet vergeten.” Nooit! Je bent er nog. Niet lijfelijk, maar ge leeft wel voort in uwe onzin. In uw stomme moppen, in uw dagboeken vol met pensen met appelspijs en in al uw citaten die ge gepikt hebt van den ene of den andere filosoof, maar die ge uitsprak met een Mechels accent.

Ik hoor het je nog zeggen: “Alles komt goe! Behalve oud weurre, daar raak ik nie aan gewoen.”
95 had ge vandaag kunnen zijn. Klein van gestalte, waart ge. Maar ge had een grot kop vol met wijsheid. Of zoals gij het zei, ” Ik zen ne valse lange met lange armen maar keutte benen ma oemtoaft da de kloan nie gemokt zen om in de groete eule gat te kruipen.”

Maar gij waart de grootste, pa. Op uw manier. Ofwel in stilte, ofwel met veel te veel overbodig lawijt. Je stond in de coulissen, achteraan maar altijd daar. Of je stond fier te blinken, met veel te hard gebakken fritten en met gekookte in plaats van gebakken biefstuk, zo hard en taai als de oorlog waar ge zelf uit kwam.

Al die verhalen vol branie en scheve humor. Je vertelde ze met een pint in de hand en met een veel te grote een Guinness-T-shirt uit Schotland aan. Uw eerste vlucht. Uw enige vlucht. Tot 8 jaar geleden gold uw afspraak met Beëlzebub, de prins der vliegen waarmee ge een pact gesloten had om 108 jaar te worden. Onderhandelen, ook niet je sterkste punt.

Ge had dat boek moeten schrijven hé pa, over “De kus door het sleutelgat, Vrouw met de lange tong”, Maar ge vond dat ge al genoeg had geschreven in die grijze boekjes met dat rood randje.

Ik heb het van geen vreemden.

“Alta met avve neus na de grond, as ge stapt”, dat zei je ook “omda ge dan misschien een briefke van 50 frang vindt, dan kunne we een verniete pint gaan pakken.” Maar wij vonden meer dan geld. We kregen wijsheid, onnozelheid, en liefde, allemaal wel heel onhandig verpakt maar altijd wel aanwezig. Gelijk gij. Met uw groot hart dat zo groot was als uwe kop.

Ge wordt hier gemist, pa.  Vooral op deze dag.
Maar als ik ons mannen en ons Noor hier zie rondhangen met al die trekjes die de jouwe zijn, zijt ge niet vergeten en zijde zelfs niet eens zo ver weg.

“Dus happy birthday ouwe, ’t is hier allemaal goe aan’t komen.  Alles komt altijd goe!
Behalve die biefstuk… maar daar hebben we het al over gehad.”

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Lore

Liefste Lore,

Je had iets ongrijpbaars. Je was jong ook al leek je al een getekend leven achter de rug te hebben. Je stem was zacht en vastberaden, je lach helder, maar de wisselingen in je stemmingen, zo plotseling, zo intens en zo verwarrend.

Op goede dagen leek je enthousiast, gemotiveerd en onoverwinnelijk, zelfbewust en vastberaden. Er waren echter ook dagen dat donkere wolken over je gezicht trokken waardoor je helemaal in jezelf verdween, haast onbereikbaar voor de buitenwereld en voor de vele mensen om je heen.

Je oogde levenslustig met een glimlach die de zon leek op te roepen, maar met stralen die je hart nog maar zelden konden bereikten. Achter die glimlach schuilde iets mysterieus donkers, iets wat ik niet echt begreep. Vrienden hoor ik zeggen hoe goed je was voor anderen, hoe slim je was, hoe je altijd klaarstond en altijd doorging, zelfs, met je gepijnigde gedachten. Je wou het zo graag zo goed doen. Alleen, het wou maar niet lukken.

Ik denk dat de avonden je vijand werden waarbij je troost zocht in dingen waar je beter geen troost in zoekt. Onze gesprekken werden stiller en minder frequent. Soms maakte je nog plannen voor morgen, sprak je nog over dromen die je wilde waarmaken, alleen jij wist dat deze nooit zouden uitkomen.

Je leefde alsof je in een constante strijd verwikkeld was, een gevecht tussen de helderheid van goede dagen en de diepe, duistere afgrond van de slechte. Waarom toch zag je zelf niet wat voor uitzonderlijk iemand je was?

In een van onze laatste gesprekken, maanden geleden zag ik je balanceren op de rand van iets onpeilbaars. We konden je niet meer terug naar boven trekken, althans niet voor lang. Niemand kon dat. Dat besef is er nu pas. Ik probeerden je op te beuren, je perspectief te tonen, je te laten lachen je te zeggen dat geduld en tijd je grootste bondgenoot is, maar de leegte in je ogen bleef dof en vooral onuitgesproken. Misschien dacht je dat je de controle nog had, dat je de balans nog zou vinden. Maar die balans was verdwenen, onzichtbaar voor jezelf maar ook voor degenen die dicht bij jou stonden. Je had het zo graag anders gewild maar het lukte niet.

Daarstraks hoorde ik dat je er niet meer bent. De stilte en het verdriet en de wanhoop en onmacht is haast ondraaglijk. Ik herken het nu allemaal in jouw stilzwijgen.

Het besef drong onmiddellijk door dat je de strijd had verloren of dat je hem niet langer meer wou voeren. Het besef sijpelt door dat jouw onuitputtelijke kracht om door te gaan is verdampt. Nu is er alleen nog die stilte, en de schrijnende waarheid dat je jouw demonen niet langer meer wou verdragen en dat je de moed en de kracht bent kwijt gepeeld om jezelf even graag te zien als die vele mensen om je heen dat doen.

Jouw strijd is voorbij. Rust nu maar zacht lieve Lore.  Jouw innemende lach zal zo hard gemist worden.

Verdriet heeft geen onrechtmatige eigenaar

Een jaar is geruisloos voorbijgeschoven sinds je uit dit leven stapte.  Nog steeds liggen de vragen als onoplosbare puzzelstukjes in mijn hoofd verspreid. Ik krijg ze niet op de juist plaats gelegd. Dat blijft knagen en schuren aan mijn ziel. “Jouw vriend is er niet meer.” Zes woorden in de nacht, uitgesproken door een politieman, ze blijven een wazige, troebele verdoofde herinnering.

Hoe kan ik dat gevoel beschrijven, maar ook, wat is het toegestane bereik van mijn emotie als ik terugdenk aan wat je hebt gedaan? Die dualiteit houdt me bezig. Mijn gedachten worden nog steeds overspoeld met een ongrijpbare machteloosheid. Met een onverklaarbare schuld die me soms besluipt al weet ik dat die niet gerechtvaardigd is. Het is dan alsof ik gevangen zit in een emotionele achtbaan, waarbij elke bocht en elke duikeling een nieuwe golf van verwarring veroorzaakt.

Is het nog steeds boosheid, of eerder medelijden? Soms lijkt het alsof ik nog steeds niet kan geloven wat er gebeurd is.

Ik moet het opschrijven, op de manier hoe jij het zou doen, onwetend en stuntelig, zonder juiste uitkomst, vruchteloos zoekend naar begrip en verheldering. Ik wil troost bieden, maar wil ook de harde waarheid niet uit de weg gaan, want die is voor eeuwig overschaduwd met onbeantwoorde vragen die iedereen die je achterliet blijven achtervolgen.

Maar mijn woorden en emoties hebben ook hun beperkingen. Ze worden helemaal nietig wanneer ik probeer in te schatten hoe diegenen die het dichtst bij jou stonden en jou graag zien en zagen zich vandaag moeten voelen.

Ik kan onmogelijk volledig inschatten hoe zij zich nu voelen, al die mensen die jou graag zagen en die het dichtste bij jou hebben geleefd? Hoe kan ik me inbeelden wat het betekent om een broer te moeten missen of een zoon of papa te moeten begraven?

Daarom voelt het alsof ik een beetje op afstand sta, als een toeschouwer in een tragedie die ik niet volledig kan bevatten. Het is een gevoel van nietigheid en onvermogen, terwijl ik worstel met de juiste woorden om recht te doen aan jouw leven en aan de gapende leegte die je achterliet.

Ondanks deze twijfels en beperkingen, wil ik proberen om dit te delen, om een glimp van troost, begrip en nederigheid te bieden. Misschien kan ik door mijn eigen verwarring te delen, een kleine brug bouwen tussen mijn eigen hart en de harten van degenen die het dichtst bij jou stonden.

Dus hier zit ik, met mijn pen in de hand, struggelend om jouw verhaal te vertellen met de hoop dat mijn woorden, hoe beperkt ook, een beetje verlichting brengen aan diegenen die vandaag ook rouwen omdat je er al een jaar niet meer bent. Dat is mijn manier. Ik weet niet of het de juiste is. Verdriet en rouw heeft geen onrechtmatige eigenaar. Verdriet treft geen schuld. Verdriet is universeel.

Het blijft hard te weten dat ik jouw verhaal nooit volledig kan vertellen, noch dat ik de leegt van jouw afwezigheid helemaal juist kan beschrijven. Ik deed een poging met woorden, als eerbetoon aan jouw leven en aan de mens die je was tot de donkere demonen het van jou afnamen.

Hopelijk bieden ze een beetje troost.

Yannick, Ik ben je nog niet vergeten.

Details veranderen

Als mensen, die zichzelf belangrijk vinden en zich in het episch centrum van het universum wanen, zeggen, “ik zou graag de geschiedenis in gaan als…”, heb ik, afhankelijk van wie deze onzin uitkraamt zin om te vragen, “komt het idee niet in je op om vandaag al de geschiedenis in te gaan?  Doe eens een beetje moeite. Persoonlijk ontbreekt het mij aan elk soort ambitie om dingen te doen waarmee ik de geschiedenis in zou kunnen gaan. Mijn levensdoelen situeren zich dichterbij. Kleine, onbenullige dingen die mijn dag een beetje glans geven, dat is waar het mij om te doen is. Ik houd me bezig met zaken die zich de komende tien tot twaalf uur aandienen. Veel verder reiken mijn plannen meestal niet. Toekomstige geschiedenisboeken van een verleden dat nog niet bestaat en waar ik een rol in te vervullen heb, ooit deed ik het wel, maar echt, ik ben daar nu niet meer mee bezig.

Een van de eerste dingen die ik elke dag doe, vooraleer ik ook maar iets anders zou kunnen bedenken waarmee ik de geschiedenis kan ingaan, is de brilglazen van mijn bril opblinken. Ik heb namelijk een hekel om de wereld te zien door de mist van mijn eigen beduimelde vingerafdrukken.  Ze belemmeren een klare kijk. Maar eerlijk, ik zou het ook maar niets vinden om de geschiedenis in te gaan als iemand die zich elke dag opnieuw maar als enige doel stelt om brilglazen proper te houden om beter naar de wereld te kunnen kijken.

Ik kan me voorstellen dat sommigen nu al kregelig worden en me liefst zouden verwijten lui en tam te zijn en dat ik maar best, zo snel als mogelijk zou toegeven aan zelfgecreëerde schaamte en opgelegde schroom. Leven als een ongevaarlijke rebel zonder doel is voor sommige mensen een bedreiging.  Geconstrueerde twijfels om ergens een verschil mee te maken of om ergens bij te horen voel ik niet. Ik heb geen spijt dat het mij aan die grote ambitie ontbreekt. Ik ben wie ik ben en mijn identiteit bestaat uit vele laagjes. Verwondering, nieuwsgierigheid en verwarring zijn daar maar een deel van. Doen alsof ik niemand nodig heb zit ook onder een van die laagjes.

Laat me dan zo maar de geschiedenis ingaan, als iemand die elke dag zijn brilglazen proper houdt en perfect kan doen alsof hij niemand nodig heeft. Nu ik erover nadenk. Misschien zou ik toch liever ècht de geschiedenis ingaan, al is het maar om daar een paar details te veranderen.

Romantische verzetsdaad

Veel moedige verzetsdaden heb ik in mijn leven niet gesteld. Meestal verkies ik het veilige pad. Aangeleerd gedrag, vermoed ik.

Gisteren parkeerde ik mijn auto net buiten de stad, in een ondergrondse VINCI-parking.  Op het eerste gezicht zou je dit bezwaarlijk een verzetsdaad noemen.  Toch nam ik dit moedige besluit omdat een parkeerplaats me voor de vierde keer ontglipte.  Telkens werd ze voor mijn neus ingenomen door één of andere onbeschofte verkeersagressor. Ik weet dat verzetsdaden zich dikwijls voltrekken tegen de agressor, behalve gisteren. In plaats van mij verbaal af te reageren op deze zich herhalende boertigheid, besloot ik mijn autootje uit protest niet in de binnenstad te parkeren. Ik verkoos een ruime ondergrondse betaalparking waarin beschaafdere verkeersregels gelden. Bekijk het maar, bende onbeschofteriken!

Toen ik me even later in de Merodestraat bevond, besefte ik maar pas dat ik het zelf allemaal moest bekijken. Ineens was ik een wandelaar geworden in de stad waar ik van hou. Een oude stad die ik hoofdzakelijk als autorijder ken en die tot voor kort zo hard door autorijders werd gedefinieerd dat zelfs het gps-netwerk er overbelast van raakt.

Eerst beschouwde ik deze verplichte wandeling als zinloze arbeid maar algauw begon ik te genieten van mijn zelf opgelegd martelaarschap. De onverwachte vertraging zorgde niet alleen voor rust, het maakte ook dat ik nieuwe dingen zag maar ook dat ik bekende dingen op een andere manier zag. Ik fantaseerde de zesendertig cafés erbij die ooit deel uitmaakten van het straatbeeld in de tijd toen de kazerne nog bemand werd door drieduizend dienstplichtigen die er in de cafés hun soldij kwamen verbrassen.

De wandeling van vierduizend negenhonderd éénentwintig stappen in een van de oudste straten van Mechelen werd een herinnering van samengeperste tijdlagen. Zo zag ik ineens cinéma Lumière, een geklasseerd gebouw dat ooit dienstgedaan had als Karmelietenklooster, meisjesschool en nadien als stadsfeestzaal. Jaren geleden was het de uitvalsbasis bij uitstek geweest voor jonge bakvissen zoals ik die er op romantische wijze invulling probeerden te geven aan hun anders zo zinloos studentenleven.  Twintig was ik, het was nog ver vóór de tijd van Google Maps en Streetview, toen ik aan de overkant van de straat, tegen de muur van het sint-janskerkhof de sterren uit de hemel kuste met een medestudentin aan wie ik mijn hart verloren was geraakt. Toen was ik welbewust naar deze plaats afgezakt. Nu was ik toevallig gepasseerd om erachter te komen dat de straat en de wandelaar buiten herinneringen niets meer met elkaar gemeen hebben.

Melancholie overvalt me. Dat overkomt me wel meer. Ik heb het altijd een beetje bizar gevonden, hoe plaatsen blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen raast. Dat ik op dit kruispunt kan staan en me kan herinneren hoe ik daar, jaren geleden iemand kuste in het holst van de nacht. De gebeurtenis is helemaal verdwenen terwijl het een betoverende gedachte is te denken dat die romantische avond helemaal met die plek verweven is geraakt. Dat is natuurlijk niet zo. De muur van het sint-janskerkhof heeft er niets mee te maken, die is wat hij is: gewoon een muur. De herinnering, is enkel voorbehouden aan de muur, aan mezelf, en aan diegene met wie ik de sterren deelde.

Het leven heeft soms een rare manier om gebeurtenissen met elkaar te rijmen.

Als deze quote niet de juiste manier is om het leven samen te vatten, is deze romantische verzetsdaad in een oude stad misschien wel de drijfveer om auto’s er voorgoed uit te verbannen.

Een niet al te grote schuimkraag

MECHELEN, woensdag 26 november 1941. Mejuffer Carola Van Assche, 44cm 3,45kg zag het levenslicht omstreeks 11:41 uur.

Deze woorden werden op de achtenveertigste woensdag van dat jaar, in sierlijke letters, in vulpen geschreven op de tweede regel van de laatste bladzijde van het trouwboekje van Alfons Van Assche en Florentine Piscaer.

De ietwat gelige vlekken, op de voorlaatste bladzijde van datzelfde boekje, die er door de tijd zijn gaan uitzien als een soort watermerk, doen vermoeden dat er mogelijks menige fles gekraakt werd. Al kan het evengoed zijn dat ze veroorzaakt werden door Alfons zelf in café de Xavrianen, door een nieuw vat bier voor deze heuglijke gebeurtenis te steken. 

Tachtig zou je vandaag worden ware het niet dat die vreselijke ziekte je vroegtijdig geveld heeft.

Op een dag als deze zou je zeker een, twee of meer uit een vers vat gestoken Stella’s gedronken hebben. De schuimkraag niet al te groot want aan grote schuimkragen had je een bloedhekel.

Als we nadien in een niet al te chique restaurant aan tafel zouden gaan, zou je het hoofdgerecht onaangeroerd laten, met als excuus dat je vlees niet goed kan bijten of dat de frieten te hard gebakken zijn en je verhemelte zullen kwetsen.  Wanneer echter, even later het dessert geserveerd wordt, kan je er geld op inzetten, dat je het taartje van ons vader zal afluizen, met als excuus dat dessertjes slecht zijn voor de cholesterol.

Rond de klok van achten zul je zeker met verheven stem zeggen, “kom Jef we geun nar hous.” Die woorden zul je dan zeker vier keer herhalen, met als excuus dat er minstens nog precies zoveel Stella’s, met een niet al te grote schuimkraag moeten gedronken worden.

Maar je bent er niet meer. Dertien jaar geleden ging je definitief “nar hous”, maar dat neemt niet weg dat ik vandaag aan je denk. Met veel weemoed maar met een even grote glimlacht blik ik terug, aan jouw verheven stem, aan de onaangeroerde hoofdschotel en aan Stella’s met een niet al te grote schuimkraag.

Mocht je vandaag daar boven een hemelse Stella bestellen, hoop ik oprecht, speciaal voor diegene die jou bedient, maar voor de algehele hemelrust in het bijzonder, het er een is met een niet al te grote schuimkraag.

Gelukkige verjaardag moeder.

Steriel

Wanneer we elkaar dan toevallig eens tegen het lijf lopen of wanneer agenda’s nog eens met elkaar matchen en het eindelijk lukt om nog eens lang koffies te zuipen en sigaretten te paffen, begroet ik je altijd met een kus en een stevige omhelzing. Tijdens die fysieke begroeting trek ik je dan altijd stevig tegen mijn gillet. Dan ruik ik je unisex-parfum en voel ik hoe je in je vel zit. Als het niet goed met je gaat, druk jij je zo hard tegen mijn grote knuffelberenlijf en verberg jij je helemaal in die grote armen van mij, en ga je daar op zoek naar een beetje intieme geborgenheid of troost. Als het wel goed met je gaat verdraag je die omhelzing niet. Dan duw je me speels en plagerig weg en zeg je, blijf eens met je poten van mijn lijf, je bent mijn lief niet, je hebt je kans gehad.’ Al hoort die kus er altijd bij, maakt niet uit of je goed of je slecht in je vel zit…

TNu ik je als bij toeval tegen het lijf loop, draag ik een mondmasker om jou niet te besmetten en om niet door jou besmet te raken. Hoewel jij niet met zekerheid kan weten of jezelf ziek bent of dat ik dat ben, draag jij ook een mondmasker met exact dezelfde intentie. Ik besmet jou niet en jij besmet mij niet. Deze niet-afgesproken wederzijdse concensus om elkaar te ondergaan achter textiel dat alles filtert, maakt ons helemaal steriel. Jouw unisex-geurtje ontbreekt en ik kan niet voelen hoe jij in je vel zit. Ik ruik alleen maar mijn eigen stinkende koffieadem en voel alleen de warmte van mijn eigen gezicht. Hoewel ik breed glimlach zie jij dat niet. Dat jouw mond droef staat, valt me ook niet op omdat hij veilig en steriel verborgen blijft achter dat lichtblauwe wegwerpmondmasker. Praten doe ik van nature al stil dus als ik je nu wat toefluister vanachter mijn mombakkes hoor jij dat nauwelijks. Omdat jij slecht hoort of omdat ik weet dat ik te stil spreek, roep ik nu zo luid waardoor het lijkt dat ik gevoelloos tegen je sta te blaffen, zoals een hond naar zijn baas. Jou ogen alleen kunnen niet verraden of je het eens bent met mijn geblaf of dat je liever zou willen terugblaffen. Verscholen achter maskers, met anderhalve meter tussen ons zijn we schimmen geworden van wat we normaal van elkaar zijn. Maar om corona te onderdrukken zijn we wel veilg en steriel gebleven zoals deze toevallige ontmoeting en dit vluchtig gesprek dat ook was.

Onzichtbare belagers

De grijsgewassen korte broek en de grasgroene pull die ik in zeven haasten aangeschoten heb, vloeken zo hard met elkaar zoals alleen duivels uit de hel dat kunnen. ‘Precies een tang op een varken’, zou ons ma gezegd hebben, mocht ze nog geleefd hebben en onze pa zou daar dan aan toegevoegd hebben, ‘Die kleren? Daar wil ik nog niet in begraven worden’. Temeer omdat ik besloten had om onder mijn vestimentaire kakafonie ook nog eens Noorse sokken en bruine bergbottines te dragen.  Met de kladder wax die ik nonchalant door mijn warrige calotte gewreven had, waardoor ik nu tien centimeter groter lijk, gun ik mezelf zelfs nog de illusie er hipper uit te zien dan hoe ik het bedoeld had.  Althans dat maakte ik mezelf wijs al is de waarheid hoogstwaarschijnlijk dat ik gewoonweg potsierlijk voor de dag kom. Dat gaat zo in Coronatijden, dan gelden er andere schoonheidswetten. Het laat me koud. Niemand ziet me en niemand kijkt naar mij om dus wat kan het me schelen. En als ik dan al iemand tegenkom loopt die me toch klakkeloos, met de neus op de schoenen voorbij.  Er is haast geen levende ziel te bespeuren, laat staan dat die dan de moeite zou nemen om zich aan mijn clowneske outfit te storen. Zelfs die oude bes niet die net mijn pad kruiste ook al is het even waarschijnlijk dat ik haar net zo achteloos probeerde te omzeilen als zij mij. Zonder opkijken en zonder haar een blik te gunnen, vervolg ik doelloos en zonder vastberaden tred mijn weg, de ene stap na de andere. Even voel ik me als een gedetineerde die met zijn dagelijkse verplichte verluchting een uurtje frisse lucht mag snuiven om de geur van pis en kak van zijn cel uit zijn neus en uit zijn kleren te wassen.

De mensen die ik wat verderop in de Kasteeldreef op hun dagelijkse wandeling tegenkom, lijken me ietsje rustiger en ontspannen, mogelijks omdat de kans daar kleiner is om een potentiële vijand tegen het lijf te lopen.  Als we mekaar voorbijlopen in een tred die veel wegheeft van een soldatenpas, begluren we elkaar stiekem vanuit onze ooghoeken. Als onze blikken elkaar dan kruisen wenden we hem ook onmiddellijk weer even snel af alsof we betrapt zijn met een doodzonde en op het punt staan neergebliksemd te worden. Af en toe bemerk ik bij sommigen toch een vluchtige glimlach of een voorzichtige aanblik en dan beantwoord ik die blik of glimlach met dezelfde ontwapende grijns. Anderen knikken dan weer. Maar als ze dat doen is dat met een korte, haast onmerkbare knik vanachter hun mondmaskerbarricade. Ik knik dan beleefd terug alsof ik met die beweging een ingebeelde witte vlag hijs. Zelf snuif ik de lucht nog niet door een mondmasker omdat ik daar in mijn bovenkamer precies nog niet helemaal klaar voor ben. Als we dan, zij met een partizanenknevel voor de ademhalingsorganen en ik nog zonder, door het bos patrouilleren, zijn we op onze qui-vive voor die schalkse hinderlaag van onze gemeenschappelijke onzichtbare belager die het heel slecht met ons voorheeft. En dan heb ik nog niet eens boodschappen gedaan!

Dode letters, springlevend.

Koortsachtig leest hij bladzijden die op het ogenblik dat ze geschreven werden niet voor zijn ogen bestemd konden zijn. Nu hij zelf de leeftijd bereikt heeft en de woorden die twintig jaar geleden getrouw en gewetensvol werden neer-gekribbeld beter kan plaatsen, leest hij ze ongedurig maar zorgvuldig. De feiten die beschreven zijn, herkent hij omdat hij er zelf leidend voorwerp van is. De letters schuiven als een sneltrein voorbij en tonen beelden die hij lang uit zijn herinnering geband heeft. Hij alleen kent de echte reden waarom hij heil zoekt in krabbels die destijds zo zorgvuldig werden opgetekend door een pen die hij maar al te goed kent. De zinnen die hij nu leest zijn ooit geschreven met een griffel die diepe krassen kon zetten en onthullen eindelijk hun geheimen die gekwelde herinneringen bevestigen. Maanden geleden had hij alle hoop opgegeven om dit boekje ooit terug te vinden omdat het niet in de doos van de andere dagboeken was weggeborgen, wellicht omdat de schrijver ervan er zelf af en toe nog eens herinneringen in ophaalde.  Vandaag heeft hij het in handen. Het manuscript ziet er nog identiek uit als toen het destijds dagelijks op de keukentafel rondslingerde en wachtte tot hersensroerselen erin vereeuwigd werden. Het ietwat kinderlijke handschrift met grote krullen laat geen groots literair talent vermoeden maar de geschreven beelden doen dat eens te meer en ontsluieren hun herinneringen die op dezelfde manier zijn neergeschreven als dat ze in zijn gedachten ronddwalen. Dezelfde emotie, identiek verdriet en gelijkaardige machteloosheid lijken gekopieerd, alsof lezer en schrijver één-en dezelfde persoon zijn, maar dat is niet het geval. De schrijver ervan was mijn vader en de lezer ben ik en het verhaal is geschiedenis…

Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.