Categorie: Dagdromen

Waardeloze wens

Ik heb in mijn leven al heel wat af gewenst. Ik deed dat wanneer ik een vallende ster zag, als ik kaarsen uitblies, zelfs bij een verdwaalde wimper. Vorig jaar heb ik mensen het allerbeste gewenst. Ik zie het nog voor me. Ik deed het met de overmoedige overtuiging dat mijn woorden of wensen iets zouden kunnen omdraaien, vertragen of ongedaan maken. “Gelukkig nieuwjaar”, twee woorden, die ik vol verwachting en met hoop uitsprak alsof ze vanzelf hun weg wel zouden vinden.

Sommige van die mensen zijn er niet meer. Ondanks mijn wens. Ze verdwenen of gingen dood. Hun naam is niet weg, maar hij klinkt anders. Alsof ze niet meer in deze tijd staan, of zo. Mijn wens heeft hen niet kunnen beschermen. Hij heeft niets tegengehouden, niets genezen, niets verlengd, en dan denk ik, mijn wens is waardeloos geweest.

Maar misschien was hij niet verkeerd of waardeloos, maar heb ik hem te groot gewenst, of heb ik hem te achteloos of te kwistig uitgedeeld en had ik gewoon wat zuiniger moeten zijn voor wie ik hem bewaarde.  Ik probeer het dit jaar te doen, misschien dat het leven zich volgend jaar dan een beetje zal gedragen, dat verlies een omweg zal nemen en de kalender een beetje milder zal zijn.

Mijn wens van vorig jaar heeft me geleerd dat een wens geen belofte is en dat de dingen niet altijd proper op elkaar volgen zoals een wens of het leven dat zou moeten doen. Soms stort alles gewoon in elkaar ongeacht al dat gewens.

Vandaag, aan de rand van een oud jaar en aan het begin van een nieuw, wil ik het allemaal een beetje zuiniger, een beetje rustiger. Ik wens je dan ook geen vanzelfsprekend, groots geluk met de verwachting dat daarmee alles afdwingbaar wordt, want dat zal het nooit zijn.

Wat blijft er dan over? Aanwezigheid misschien, voor jezelf en voor elkaar?  Misschien zullen we dan beseffen dat elk moment zijn waarde heeft. Misschien dat we dan durven blijven kijken en blijven voelen ook op momenten dat het leven ingewikkeld wordt. Dat we dan niet wegkijken van stilte, gemis, oneerlijkheid, eenzaamheid en van alles wat niet direct opgelost raakt. Misschien moet niet alles direct opgelost te raken.

Voor mezelf wens ik voldoende moed om mensen te blijven vasthouden zolang ze er zijn, zonder overmoedig te denken dat tijd vanzelfsprekend is. Dat aanwezigheid vanzelfsprekend is.  Dat jij vanzelfsprekend bent. Voor jou wens ik hetzelfde.

Ik wens mezelf ook zachtheid en rust om afwezigheid, gemis, oneerlijkheid en eenzaamheid niet altijd te willen herstellen met woorden maar ook een keer met daden.

Morgen begint een nieuw jaar. Geen ziel die weet wat dat zal brengen.  Dus niemand die nu al weet welke straks het meest bruikbaar zullen zijn. Ik hoop dan ook dat deze waardeloze wens genoeg is om opnieuw te beginnen, om er het hele jaar mee door te komen.

Ergens. Tussen onrecht, schuld en vergeving

Ik slenter tussen de echo van mijn eigen stappen. Soms klinken ze te luid, soms te zacht. Het lijkt wel alsof ik mezelf door die stilte heen wil slaan. Ergens in mij resoneert iets dat lijkt op oude schaamte, zwaar en stijf, iets dat ik niet helemaal begrijp, laat staan onder woorden kan brengen. Het is geen duidelijk gevoel, eerder een koude wind die telkens in mijn nek blaast net voor de nacht besluit of hij mij welkom heet of niet.

Wanneer ik denk dat ik dat gevoel ben ontgroeid, duikt het opnieuw op.  Onaangekondigd als zachte, beschuldigende indrukken die fluisteren dat ik nooit genoeg zal zijn, alsof ik iets of iemand onrecht heb aangedaan, misschien mezelf wel het meeste.

De laatste weken heb ik gedacht dat vergeving of acceptatie bij de ander begint. Dat iemand mij wel zou aankijken om te zeggen, “het is goed genoeg, ik begrijp je”. Nu pas voel ik hoe dringend ik die woorden tegen mezelf moet uitspreken. Want, niemand kent het gewicht dat ik draag beter dan ikzelf. Ik alleen weet precies waar het verkeerd is gelopen. Ik ken de situaties, mijn gedachten en de keren dat ik zweeg terwijl ik had moeten opstaan en protesteren. Maar ik ken ook de momenten waarop ik te luid sprak terwijl zwijgen beter was geweest.

Wanneer ik terugkijk, zie ik mezelf als kind. Helder, niet vaag of verdwaald, maar onzeker, met te kleine handen om te dragen wat me werd aangereikt. Ik probeerde al stevig te staan, maar mijn benen waren te kort, mijn rug te zwak voor alles wat op mijn schouders drukte.

Heb ik daarom zo vroeg geleerd om mezelf te verstoppen in verhalen en gedachten die niet van mij waren om te fel te leven zoals anderen dat van mij verwachtten, in plaats van zoals ik het voelde. Wie zal het zeggen?

Er zit iets rauws in het besef dat schuld en schaamte of onrecht niet zomaar verdwijnt met de tijd. Het is dat soort gevoel dat zich ingraaft, in stilte groeit en zich voedt met pijnlijke herinneringen en rondcirkelende gedachten. Maar als ik goed kijk, vind ik in al die mijmeringen ook een zacht kantje, één dat ik mezelf maar zelden gun.

Er zit iets dat ik te lang heb genegeerd. Ik wil ook vooruit, soms te traag, vaak onbeholpen, dikwijls te stuntelig maar wel vooruit. Ik voel dat ik het mezelf verschuldigd ben om op te houden met weg te duiken, om eindelijk rechtop te staan, zelfs als ik kwetsbaar ben en het ongemakkelijk of oneerlijk aanvoelt.

Wat mij raakt is, hoe mezelf vergeven fragiel en moeilijk blijft. Het is geen groots of dramatisch gebaar naar mezelf. Het zijn geen open armen in het midden van de storm. Het is eerder mijn stem die zegt, “Janneke, zullen we het nog een keer proberen?” Het is die glimlach die ik mezelf schenk wanneer ik mijn littekens aanraak en voel dat ze minder pijn doen, omdat ze een schoon verhaal vertellen.

Ik verstop me nog te dikwijls achter starre trots, omdat toegeven als zwakte voelt. Terwijl ik beter weet dat kwetsbaarheid geen capitulatie is, maar misschien de mooiste vorm van zelfbehoud. Leg me dan uit waarom ik me blijf verdedigen tegen mijn eigen hart?

Er zit een zekere schoonheid in het herkennen van mijn tekortkomingen zonder ze per force te willen corrigeren of te veroordelen. Ik observeer mezelf, de mens die ik was, die ik ben en die ik nog wil worden. Tussen die drie figuren zit nog afstand maar ook nieuwsgierigheid. Maar misschien moet ik toch eerst helemaal barsten en breken om ruimte te krijgen om terug te kunnen groeien.

Vergeving is geen point final aan het einde van een zin, eerder een komma midden in een verhaal dat zich nog aan’ t schrijven is.

De wind zal gaan liggen als ik besloten heb om niet meer mee te waaien. Om te blijven staan, misschien tegen beter weten in, hopelijk met een soort onverwachte moed. Dan pas zal ik opnieuw mijn echte stem horen en met mijn hart op mijn hart kunnen zeggen, “Ik ben het niet vergeten, maar ik heb het een plaats gegeven …”

Maar dat is nog niet … echt nog niet voor vandaag!

Aan de rand van de oceaan

Vorige week liep ik op het strand van Arcachon. Met slippers in mijn hand, alsof ik ze niet meer nodig had. Even vergat ik dat ik ergens vandaan kwam. Het natte strand onder mijn voeten was koel, bijna onverschillig. De lucht sloeg om en was afwisselend staalblauw of zwaar overtrokken met zout en wind. Alles leek in beweging.

De oceaan lag voor me, niet als een grens, maar als een bekende herinnering.
Het tij kwam en ging, zonder uitleg, zonder pauze. Golven rolden met een onverwoestbare kracht mijn richting uit, alsof ze me iets kwamen vertellen. Even later trok de oceaan zich terug. Ik keek ernaar zoals je kijkt naar iets of iemand die je ooit goed hebt gekend, maar die nu alleen nog bestaat in het ritme van herinneringen, in eb en vloed.

Ik dacht aan wat ik te lang had vastgehouden. Niet met mijn handen, maar dieper vanbinnen. Gedachten bleven hangen met woorden die ooit of nooit gezegd zijn, met beelden die zich vastzetten op mijn netvlies. Alleen de oceaan leek het te weten. Hij vroeg niets. Hij oordeelde niet. Zijn golven namen voorgoed mee wat ik te lang had gedragen. Niet met geweld, maar met een vanzelfsprekendheid die ik niet in vraag stelde.

In dat wegnemen liet hij iets achter. Ruimte. Niks groots. Niks leeg. Wel open genoeg om diep te ademen. Alsof er in mij een deur openging en ik een ruimte vond waar het stil mocht zijn. Waar niets moest. Waar ik even mocht bestaan zonder richting.

Ik bleef lang staan. Niet omdat ik ergens op wachtte, maar gewoon omdat ik voelde dat ik mocht blijven staan. Dat ik niet langer moest genezen, niet hoefde te vergeten en niet hoefde te weten wat morgen zou brengen. Alles bewoog maar niets lag vast.

Toen ik verder liep, was het niet omdat ik uitgekeken was op die wilde oceaan of er genoeg van gekregen had, maar omdat ik wist dat ik verder mocht gaan. Arcachon, de oceaan, de herinneringen liet ik achter me. Of misschien draag ik ze voor altijd bij me. In het ritme van de stappen die ik nog zal zetten.

De (soms) ondraaglijke lichtheid van… mijzelf

Soms denk ik dat ik te zwaar of te licht ben om vast te houden of vastgehouden te worden. Dat ik door vingers glip, zoals zand op een strand. Ik lach, ik schrijf, ik slaap, ik speel, niet noodzakelijk in die volgorde. Maar onder die lichte tred zit oud gewicht. Niet dat jij het kan zien. Ik ben niet zeker of iemand het kan zien.

Wat jij ziet is een man die lijkt alsof hij het heeft gehaald. Een man die niet meer drinkt, die langs buiten rustig lijkt, terwijl wat hij voelt of denkt, verborgen blijft onder zorgvuldig uitgekozen woorden. Je ziet of leest alleen mijn ritme, ogenschijnlijk kalm en behoedzaam maar niet de barsten van waaruit dat ritme is geboren.

Ik weet trouwens niet of ik besta zoals jij mij ziet. Misschien besta ik zelfs alleen maar uit extreme contrasten. Of als een onduidelijke projectie tegen een muur van onuitgesproken zinnen. Onze pa kon ook zwijgen alsof hij iets wist wat de rest van de wereld niet mocht weten. Liggend op zijn rug op de zetel of zittend met zijn rug naar mij, keek hij naar het plafond. Als kind vulde ik stille leegtes met een angstige fantasie, en later, met drank. Ik had hem misschien, moeten vragen waar hij met zijn gedachten zat, misschien ook niet.

Vroeger, toen drank mijn toevlucht geworden was, werd ik zwaar en met elk glas werd ik zwaarder. Letterlijk en figuurlijk.  Met een hoofd zwaar als lood en de roes als mijn anker, de ketting ervan strak rond mijn lijf gespannen. Hij trok me onder als ik dreigde te ontsnappen. De ketting was net lang genoeg om me niet helemaal onder te trekken, om te blijven ademen maar ze was niet lang genoeg om echt te leven. Nu is er geen ketting en geen anker. Ik ben lichter. Te licht soms, denk ik. Ik laveer door het leven met een lichaam dat niet meer weerspannig stampt, maar sluipt. Soms kom ik ergens binnen en vergeet ik waarom ik er ben. Ik weet wel dat ik er nog ben.

Mensen praten, ik antwoord. Mensen lachen, ik volg. Maar in de kern van die momenten weet ik, ik ben er niet helemaal bij. Zo was er een verjaardagsfeestje, ergens in een tuin vol lachende mensen. Iemand vroeg me, “En jij, hoe gaat het met jou?” Ik glimlachte en ontweek de vraag met een mop als antwoord. Die was veiliger dan stilte.

Herstel, zo beweert men, is een terugkeer naar stevigheid naar vastigheid. Voor mij is het net het tegenovergestelde. Het is loskomen van de illusie van dwangmatige houvast. Want niets blijft. Niets is permanent, alles schuift. Soms lijkt het alsof mijn dag begint in snelvaart en met richting, en dan, ergens halverwege de dag, sta ik stil met de koelkastdeur open, zoekend naar iets dat er niet meer is. Misschien is dat mijn definitie van herstel, ik val niet meer zelfs al weet ik niet altijd waarom ik nog rechtsta.

In mijn lichtheid schuilt ook een soort medelijden. Ik zie mensen worstelen met hun rollen, met hun maskers en al hun gewichtige plannen. Ze hechten betekenis aan agenda’s, aan materiele overbodigheden, aan oppervlakkigheid. Ik knik, niet omdat ik het eens ben, maar omdat ik het begrijp. De wereld houdt van gewichtige plannen, van strakke lijnen en ambitieuze doelen en van harde cijfers. Wat als we gewoon maar mensen zijn die elkaar toevallig raken, zonder te weten waarom, zonder te snappen wat het doet, met broosheid in onze bedoelingen en met onhandigheid in al de rest?

Ik geloof niet meer in redding. Wel in het feit dat ik, ondanks alles, overeind blijf en steeds weer opsta als ik onderuitga. Dat ik schrijf, spreek of luister en dat ik, ook al voelt het alsof ik geen diepe voetsporen nalaat, soms toch nog opgemerkt word. Door een kat, een vogel, door een lezer of door iemand die, net zoals ik ook lichter geworden is, ondanks de zwaarte van het bestaan.

Misschien is het geen kwestie van kiezen tussen lichtheid of zwaarte, maar van vrede sluiten met dat tussengebied, waarin alles ok is. Ik ben niet genezen en ik ben niet kapot. Ik ben onderweg. Als een ballon aan een losse draad. Naar waar hij vliegt? Dat weet ik niet.  Soms verdwijn ik even uit het zicht. Soms kom ik onverwacht terug. En als iemand mij vraagt hoe het gaat, dan antwoord ik, “ik weet het niet maar ik ben er nog”

En soms is dat, voor iemand zoals ik, net genoeg.

Draaideur naar de stilte

De wereld in rumoer
De wereld raast voort, steeds sneller, steeds luider, steeds agressiever. Onheilspellende nieuwsberichten overspoelen me met dreiging, verdeeldheid en politieke smeerlapperij. Het domineert alle headlines. Trump, een clown die ongegeneerd leugens en chaos ademt, beheerst het nieuws met zijn manipulatief circus. Zelenski zoekt wanhopig steun in een wereld die hem de rug lijkt toe te keren. Het narcistisch machtsvertoon, verpakt in eindeloze herhalingen van dezelfde patronen, verdraag ik amper nog. Sociale media echoën de hysterie en versterken meningen tot geschreeuw die elke nuance wegblaast. Ik merk dat ik overprikkeld raak, neerslachtig zelfs. Daarom neem ik afstand. Ik mijd nieuws, trek me terug en zoek rust, door de draaideur naar mijn stiltebubbel.

Ademruimte
De klanken van de buitenwereld trillen nog na, maar met elke ademstoot verliezen ze grip. Mijn gedachten, eerst verstrikt in de hectiek van de realiteit, worden zachter en gedempter.
En dan, bijna ongemerkt, kantelt mijn wereld. Niet met een schok, maar geleidelijk. De stilte die intreedt, is geen leegte, maar ademruimte. Het is een plek waar andere geluiden naar de voorgrond treden, de alledaagse geluiden van dit huis. Het zachte, bijna hypnotiserende geronk van de koelkast klinkt als een hartslag, als een constante herinnering dat het leven doorgaat, zelfs in deze stilte. De wind blaast tegen het raam en fluistert verhalen die ik niet helemaal kan verstaan, alsof er geheimen in de lucht hangen die wachten om ontdekt te worden.

“Wat probeer je me toch te vertellen?” vraag ik stil, in de hoop dat de wind antwoord zal geven.

Op zulke momenten voel ik bijna de aanwezigheid van iets groters, iets dat buiten mijn bereik ligt. Het is alsof mijn kleine wereld vol zit met verborgen betekenissen, wachtend om onthuld te worden.

Het anker van mijn thuis
In dit functionele, minimalistische huis, met eenvoudige meubels, lichte muren en een gladde zwarte vloer, vind ik een serene, bijna steriele rust. Het flauwe licht van de namiddagzon valt door het grote schuifraam en werpt scherpe schaduwen over de vloer en de muren.
Achter in de tuin ligt een strakke zwemvijver, omringd door zorgvuldig aangelegde planten en bomen. Het water is helder, spiegelglad en reflecterend als een perfect gepolijste spiegel. Alles aan dit adres is sereen, bijna steriel. Elk detail fungeert als een anker in de stilte, mijn perfecte plek voor reflectie en introspectie.

Zelfontdekking en reflectie
In deze rust voel ik een diepe verbondenheid met mezelf. Nu ik hier alleen ben, vind ik in deze minimalistische setting de ruimte om te reflecteren en mezelf te ontdekken. Het was op momenten als deze, momenten van verveling en reflectie, dat ik mijn herstel beter leerde begrijpen en vormgeven. De leegte dwong me om naar binnen te kijken, naar de demonen die ik zo lang had genegeerd, en naar de persoon die ik werkelijk ben. Denken en schrijven werden zo katalysator voor herstel en groei.

“Wat doe je?” vraagt mijn onderbewustzijn, als echo van mijn diepste gedachte.
“Ik zoek iets,” antwoord ik stil. “Maar ik weet niet wat.”
“Misschien zoek je jezelf,” fluistert de stem.

Ik knik, terwijl elke schaduw in mijn kleine wereld een verhaal vertelt en elke stilte een geheim bewaart.

Een draaideur naar een andere wereld
Verveling en overpeinzing blijken geen leegte te zijn, maar een draaideur naar een andere wereld. Ik leer dat deze momenten van stilte geen vluchtige ontsnappingen zijn, maar noodzakelijk om mezelf terug te vinden te midden van de razende storm van de buitenwereld. Mijn gedachten dwalen af naar plaatsen waar ik niet meer kom, naar oude gevechten, naar momenten van strijd en overwinning. Ik zie mezelf weer tegenover de uitdagingen die het leven op mijn pad heeft gezet. Oude vrienden, verloren liefdes, en mensen die ooit een belangrijke rol in mijn leven speelden maar nu afwezig zijn, herinneren me eraan hoe ver ik al gekomen ben.

“Denk je nog aan hen?” klinkt de stem opnieuw, zachter deze keer.
“Soms meer dan ik wil toegeven, ze laten me niet los.”

Ik denk aan geluk en verdriet, gedeelde dromen en gebroken beloftes, verdwijnende voetstappen in het zand. Aan lessen in liefde en in het leven. Alle herinneringen, soms euforisch en gelukzalig, soms vervuld van spijt en schaamte, ze maken deel uit van wie ik ben en brengen me terug naar een tijd van schuld en onschuld, naar avonturen waarin niets en alles mogelijk leek.

De kunst van luisteren
De kunst van angst, verveling, of beter gezegd de kunst van het luisteren naar de stilte, is het vermogen om de diepere vragen van het leven te verkennen. Waarom leef ik? Wat is geluk? Heb ik nog verwachtingen? In de stilte van verveling vind ik ruimte om deze vragen te onderzoeken en mijn eigen antwoorden te zoeken. Het is een ontdekkingstocht, een reis naar de kern van mijn wezen. Op momenten van schijnbare nutteloosheid zwaai ik mijn draaideur open en ontdek ik de kracht van mijn verbeelding en veerkracht.

Terug naar de realiteit
Plotseling, met het geratel van de koffiemachine verandert alles weer zoals het was. De stilte wordt doorbroken door het vertrouwde lawaai dat bij dit huis hoort. Het knarsen van de koffiebonen keert de wereld terug naar haar gekende drukte, naar verplichtingen en verwachtingen.
Verveling en introspectie waren even geen leegte, maar een draaideur naar een andere wereld die zich openzette en zich even snel weer sloot. Een subtiel spel van aanwezigheid en afwezigheid, een vluchtige illusie die ik niet kan controleren of vasthouden.

En toch, misschien was het juist in die kortstondige vluchtigheid dat ik mezelf even vond, in een moment van diepe rust, voordat die onheilspellende wereld met al haar dreiging en onophoudelijk lawaai me weer helemaal opslokt.

Gelukkig is er die draaideur

De andere man in de spiegel

Ik sta hier. Het is ochtend, maar dat is niet belangrijk. Het licht dat door het dakvenster binnenvalt is hard en eerlijk, de spiegel niet vriendelijk, maar hij liegt niet. Dat is al veel.

Ik kijk, de spiegel kijkt terug. Het is een vreemd moment omdat ik niet alleen mezelf zie maar ook probeer het complete verhaal van mezelf te begrijpen. Dat is lang anders geweest. Het voelt alsof ik als buitenstaander naar mezelf kijk en iemand zie die ik nooit helemaal zal vatten.

Mijn vel is niet glad, niet strak gespannen, maar getekend door de tijd en door alles wat ik mijn lijf heb aangedaan. Lijnen en wallen rond mijn ogen, geen diepe voren, maar hardnekkige sporen die zich zonder mijn toestemming hebben gevormd.  Ze klampen zich vast aan oude gewoontes, aan nachten en aan verhalen die niemand meer vertelt. Ik volg de contouren van mijn groot gezicht en vraag me af, zijn het allemaal herinneringen of is het gewoon het gewicht van de jaren.

Mijn hoofd is groot en rond, de kaaklijn hard en strak. Het lijkt een karikatuur van kracht, alsof het gezicht meer karakter kreeg dan ooit de bedoeling was, als Cowboy Henk of Shrek maar dan in een zachtere menselijkere vorm.

Mijn haar is grijzer dan ik zou willen, Zilvergrijs aan de slapen, de rest peper en zout. Lang heb ik gedacht dat ik er mee wegkwam, maar grijs is genadeloos eerlijk. Eigenlijk is het gewoon saai zonder symboliek. Als mijn haar kon spreken, het zou me vragen, “dacht je werkelijk ooit dat je hieraan kon ontsnappen?”

Mijn ogen houden me het langste vast. Ze zijn dezelfde als altijd, en toch niet. Ze verbergen de blik van iemand die weet dat de wereld niet op hem wacht, van een jongen die een man werd, en daarna een andere man. Mijn ogen kijken met een mengeling van herkenning en vervreemding. Ik zie tegelijk een bekende en een vreemde en vraag me af hoe iemand kan veranderen en toch dezelfde blijven?

Mijn gehavende schouders, eens een symbool van brute kracht, hangen er nog wel breed bij, maar ze vertellen een ander verhaal. De prothesen houden ze bijeen, maar niet zonder moeite. De littekens trekken lijnen over mijn vel, sporen van een verleden dat zich niet laat uitwissen.

Mijn spieren, ooit gevormd door training en labeur zijn gesmolten onder de jaren. Mijn borst is minder stevig, versierd of ontsierd door het verleden met mantieten en een hangbuikje als bewijs dat mijn leven niet uit vasten heeft bestaan. Ik voel geen trots, geen schaamte maar zie alleen de realiteit van een lijf dat niet meer vecht tegen de tand des tijds, maar er ook niet aan toegeeft.

Er is iets aan mijn houding. Ik zie geen trotse rechtlijnigheid of luie berusting aan mijn lijf. Het is iets ertussenin. Een overmoed die nog denkt dat het kan, een realisme dat weet dat het spel trager moet gespeeld worden.

Mijn handen rusten langs mijn lijf. Ik heb grote handen. Ze hebben zich niet doodgewerkt.  Het zijn handen die liefhadden, die vasthielden en loslieten. Handen die nog weten hoe het voelt om iemand vast te houden, maar ook hoe snel dat een herinnering wordt. Ongezien dragen ze alle herinneringen aan mensen die ze omhelst hebben maar ook aan spijt of aan plezier dat nooit meer op dezelfde manier kan gevoeld worden.

Mijn glimlach is geen grote en al zeker geen uitbundige. Ik ben, als je wil, eigenaar van een nauwelijks merkbare smiley die mijn mondhoeken naar beneden trekt in plaats van hem vrolijk omhoog te duwen. Het lijkt de glimlach van iemand die het begrijpt, maar hij doet maar alsof. Eigenlijk is het een streep die zegt, ik aanvaard het want ik heb geen andere keuze.

De man in de spiegel kijkt me indringend aan. Ik ben het, en toch niet. Ik zie iemand die is geweest en iemand die nog zal worden. En ineens denk ik. Wat als dit de laatste keer is? Wat als ik hem nooit meer zal zien, die man hier in de spiegel, zoals hij nu is?

Ik glimlach opnieuw naar mijn spiegelbeeld, maar nu een fractie langer. Omdat ik weet dat hij morgen opnieuw een andere man in de spiegel zal zijn en misschien meer zal weten dan ik.

Het doolhof van het verleden

Deze ochtend breekt traag aan met koffie en een sigaret.  Die twee zijn zoals elke andere dag stille getuige van een nieuwe dag die zich aarzelend ontvouwt.  Maar deze dag is toch anders. Het licht valt iets schuchterder binnen. Het is niet zacht, niet warm, nee, het is scherp, hard en koel. Een beetje zoals hoe het er in de wereld vandaag aan toe gaat.

De man die ontwaakt, is geen held, geen echte schrijver maar ook geen man die berust. Hij is een man die, zonder grote verwachtingen of bravoure, aftastend probeert te overzien wat de dag voor hem in petto heeft.

Even nog duwt het kille licht verre herinneringen binnen die maar net voorbij lijken, alsof de mist van het verleden opzettelijk dunner werd. Diepe sporen van oude keuzes en paden die ik bewust of onbewust heb ingeslagen, worden zichtbaar.

In de beelden die ongevraagd binnenkomen vind ik geen pauzeknop, geen geruststellend scherm dat me kan kalmeren, geen rustige stem die ze weg sust. Ik dwing me om in beweging te komen, om te kijken. Niet naar de verwarrende beelden maar naar wat voor me ligt, naar wat de dag brengt.

Na een lange wandeling die me helemaal bedaart, bevind ik me een paar uur later in het café waar ik vroeger toogmeubilair was. Ik ben er niet voor het gezelschap maar gewoon omdat er iets veiligs verborgen zit in dat anonieme geroezemoes. Ik kan er ongestoord naar mensen kijken. Een anonieme zonderling valt niet op.

Ik drink nog steeds niet. Al jaren niet. Ik doe het, niet om de wereld te imponeren maar om hem niet tot last te zijn, ook om mezelf te redden. Het is al lang geen hevige strijd meer, eerder een soort van stille trouw aan mezelf. De dramatiek is er allang vanaf, zelfs mijn vastberadenheid heeft iets rustigs gekregen, iets rustig maar niet iets vanzelfsprekend. Zie maar hoe ik vanmorgen ontwaakte. De dramatiek mag er dan vanaf zijn, toch sluimert hij nog en wacht hij een onbewaakt moment af om zich op te dringen. Gelukkig ken ik hem en kan ik hem verbannen.

Dit café en mijn onthouding zijn geen eindpunt. Het leven staat niet stil en het werk gaat door. Soms, zoals vanmorgen lijkt alles, zonder aanwijsbare reden broos en gebarsten, dan lijkt mijn weg bezaaid met dingen waarvan ik niet meer wist dat ze er nog lagen.

Opruimen is eenzaam werk, nauwgezet en traag. Ik doe het geduldig. Soms verwacht ik een openbaring, iets nieuws, een soort beloning.  In werkelijkheid is mijn enige beloning dat alles stil, traag, rustig en overzichtelijk werd. Zelfs de wereld draait niet langer op mijn tempo. Ik ruim op, sta even stil en ga weer verder. Dat is wat ik doe, opruimen en doorgaan. Soms kost het geen moeite, soms heel veel. Dat moet ook want in inspanning zit een eigenaardig soort schoonheid en voldoening verborgen.  Je zal het nooit ontdekken als je geen moeite doet.

De film van mijn leven met zijn absurde melancholie en zijn vele theatrale momenten van reflectie, lijkt soms een groteske komedie die in één ruk gemonteerd werd tot één slow motionscène waarin schoonheid en lelijkheid elkaar overlappen. Als ik terugkijk naar die jaren waarin ik mezelf verdronk, zag ik een man die zeker was dat hij antwoorden zou vinden in glazen vol bedrog en misleiding. Het ironische is dat diezelfde man nu beseft dat antwoorden zelden helder zijn. Dat de waarheid niet bestaat. Ze is volatiel, diffuus en even veranderlijk en afhankelijk van de inval van het licht, koud en kil of zacht en warm.

Mijn leven nuchter is niet stabiel geworden. Het voelt nog steeds alsof ik balanceer op een slappe koord. Nuchter, ja, maar wankelend ook. Toch is het geen doolhof meer waarin ik mezelf en mijn zwakheden ontvlucht. Ik durf ze te onderzoeken, ermee te leven. Stukje bij beetje leer ik mezelf beter te begrijpen. Het maakt me vrij zonder naar een eindpunt te jagen. Ik heb me erbij neergelegd dat de bestemming waarnaar ik ooit streefde, die ene plek waar alles eindelijk klopt, niets meer is dan een illusie.

In mijn kindertijd, in mijn pubertijd en in mijn adolescente leven en heel lang daarna, werd ik en heb ik mezelf opgezadeld met torenhoge verwachtingen. De wereld schetste een plaatje dat nooit helemaal bij mij paste en ik probeerde eraan te voldoen. Succes, aanzien, rijkdom, erkenning, status, invloed, perfectie, prestige, controle, bewondering… eeuwige roem.  Al die dingen werden me aangeprezen als enige pasmunt waarmee ik mijn waarde kon bewijzen. Ik geloofde het. Niemand toonde me immers dat er iets anders mogelijk was. Dus liep ik mezelf achterna, zoals iedereen het deed, tot ik struikelde en in een diep glas viel.

‘Succes, aanzien… de blablabla, de holle woorden en al die pogingen om ze mij aan te smeren, zijn voor mij niets meer dan een lege doos geworden, een heel lelijk cadeau verpakt in mooi papier. Ik hoef het niet. Ik heb echt genoeg aan een handvol mensen waarbij ik connectie vind. Alstublieft, voor mij geen dure oppervlakkigheid meer. Nu gun ik me de vrijheid om vragen stellen die vroeger te scherp of te pijnlijk waren. Wie ben ik? Wat wil ik? Vanwaar kom ik en waar ga ik naartoe? Soms, vind ik antwoorden, dikwijls niet. Dat is oké.

Alles beweegt maar niets verplicht me om mee te bewegen. Echte schoonheid, diepgang en voldoening, kortom het leven zelf zit niet verpakt in een mooi cadeau maar zit in chaos, in kleine dingen, in een fijn gesprek, in een boek of in het kille ochtendlicht dat onverwacht dingen toont die ik liever niet zie.

Geen triomf en geen tragedie meer, alleen nog nieuwsgierigheid, naar vandaag en naar wat een beetje verderop ligt.

Met een stilte die spreekt en alles vertelt.

De wereld met zijn harde lijnen, zijn onbegrijpelijke wetten en zijn scherpe randen die schuren. Kortom, die snelle wereld die al mijn pogingen om zacht te bestaan meer en meer lijkt te minachten, ik draag hem als een versleten jas. Hij zit niet meer juist. Toch trek ik hem nog aan, tegen mijn goesting.

Te veel meningen zonder feiten. Te veel zelfpromotie zonder diepgang. Te veel algoritmes die me sturen zonder dat ik het wil.  Te veel reclame, te veel kopen, te veel pulp en te weinig verhalen. Alles lijkt glanzend en sparkelend maar als je kritisch durft te kijken is alles hol en oppervlakkig, bedrieglijk bijna. Met zoveel AI dat zelfs echt en nep haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Het wordt veel, tè veel, voor deze zoekende ziel. En toch, in al die chaos bestaat er een plek. Het is er ook chaotisch, rommelig zelfs maar ook stil. Ik moet er niet efficiënt zijn, niet perfect, niet snel.  Onwetend? Dat mag! Mijn littekens, twijfels en gebreken, ik moet ze niet verstoppen. Ze mogen blijven hangen, als bewijs van het leven zelf, mijn leven. Deze plek heb ik zelf gemaakt. Ze dient niet om te volgen, niet om in te passen maar om gewoon te bestaan.

Ik herinner me bijlange na niet alle woorden die ik ooit heb opgeschreven. Ik schreef ze als mijn waarheid, meestal eenvoudig, een beetje ruw, soms zwaar, zoals ik ben.

Ik weet hoe het voelt om gevangen te zitten in verwachtingen, van anderen en van mezelf, om strijd te voeren, om sterk te blijven, om te voldoen. Te lang verdroeg ik het leven als een opdracht, met perfectie als ultieme doel. Tot ik besefte dat perfectie een illusie is, een gevangenis die ik met mijn eigen handen heb gebouwd. Mijn littekens, mijn kapotte gewrichten, mijn rimpels, mijn eindeloze overpeinzingen, mijn eeuwige twijfels, het werden onuitwisbare sporen van een leven dat niet stil heeft gestaan.

Toch blijft het een opdracht, niet toe geven aan die wereld die enkel glans en gladde oppervlaktes lijkt te waarderen. Maar hier, in mijn hoofd, waar ik veel tijd doorbreng, laat ik me niet van mijn stuk brengen. Hier wordt mijn verhaal verteld. Je mag meelezen als je wil.

Als ik je ooit ontmoet en we praten, zal ik zeggen, “toon me je kleuren maar, laat me zien wie je ècht bent en waar je vandaan komt”. Niet omdat ik iets van je verwacht, maar omdat ik weet hoe het voelt om dingen van jezelf mee te dragen waarvan je niet weet wat je ermee moet aanvangen.

Het zijn stukken die niet passen in je puzzel, ze hebben geen glans, maar zijn wel echt. Het zijn die stukken die ik van jou wil zien, niet de opgeblonken versie die de wereld accepteert. De echte, de rommelige, de onvolmaakte waar je niet trots op bent. Laat het ons daar over hebben.

Mijn lijf en littekens, ik accepteer ze niet altijd. Soms jeuken ze, en herinneren me aan een tijd waarin ik dacht dat kwetsbaarheid en openheid een zwakte was, toch probeer ik ze nu te dragen als een medaille van een strijd die ik voer. En zo kijk ik naar jou, niet naar wie je probeert te zijn, maar naar wie je werkelijk bent.

De wereld is luid, altijd bezig, altijd veeleisend. Maar hier mag ik ademen. Hier mag ik rusten. Hier mag ik mezelf zijn, zonder druk om iets te bewijzen.

Misschien is dat wat ik probeer te zeggen.  Je bent welkom. Niet die versie van jou die de wereld goedkeurt, maar de echte, de kritische en pretentieloze, met al zijn scherpe randen en zachte lijnen, met twijfels en hoop.

Hier vinden mensen hun weg en zijn op hun gemak als ze dat begrijpen. De anderen stoppen halverwege of blijven gekluisterd aan verwachtingen die ze amper zullen waarmaken.

Dus kom, maar als je komt, dàn zoals je bent, met al je wilde imperfecties, met je vragen die geen antwoorden vereisen en met je stille dromen. Hier, op deze plek die ik helder voor me zie, hoef je alleen jezelf mee te brengen. Misschien, is dat genoeg, gewoon bestaan met een stilte die spreekt en alles vertelt.

Koude handen en warme herinneringen

Toen je nog leefde, zei ik het nooit. Misschien durfde ik niet. Wij waren niet zo’n familie waar belangrijke dingen gezegd werden. Je was een ‘specialeke’. Iedereen zag dat, bijna niemand zei het. Maar je weet wat ze bedoelen als zoiets over iemand gedacht wordt.

Twee stenen kon je laten vechten, zonder moeite, zeker als je “het in je” had. En dat had je dikwijls, meestal zelfs. Je was tegendraads, grofgebekt, soms bot en meestal tactloos. Velen zagen alleen dat. Maar je was bijna altijd eerlijk. Dat zagen de meeste niet. Ze kenden je maar half. Jij liet je niet kennen.

Onze pa zei dan, “Dee van ons kan er met een kou hand aankomen.”  Oudere koppels noemden elkaar zo, “die van ons en die van mij”, alsof ze elkaars bezit waren. Maar hij had wel gelijk. Je had koude handen en koude voeten. In je buurt moest je scherp blijven, altijd op je qui-vive en klaar voor wat kon komen. Als je eenmaal begon, was er geen houden aan.

Er moesten niet eens dingen mislopen. Zonder aanleiding kon je op de meest ongepaste manier uit de hoek komen.  Velen hebben die buien moeten verduren.

Kom, Jef, we geun naar hous”, zei je dan streng. En dan haalde je de sleutel uit je tas. Een zilveren Mercedes-hanger hing eraan. Het was een cadeau voor je pensioen. Nooit heb je zelf gereden. Dat liet je aan anderen over. Jij liet je rijden als ‘the lady of the house, herself.’

Je had verschillende kanten, grote en kleine. Kanten die soms lelijk hard konden schuren want je nam geen blad voor de mond. Maar je was er wel.

Ik hoor je nog zeggen, “Janneke, schiet er na is out en doe na ne kier voaf minuten normaal. Efkes veu iene kier.”  Ik zou je het graag nog eens horen zeggen maar nu hoor ik alleen je stem nog in mijn hoofd.  Op een rare manier hield je ook alles draaiend, hoewel onze pa het meeste werk deed. Je was de bloem in de béchamel. Met een stem die zeurde, maar dikwijls gelijk had, als vrouw die niks verdroeg maar ook als moeder en grootmoeder die alles kon verdragen.

Misschien heeft je vreemde karakter me toen gestoord en heeft het dat lang na je dood blijven doen. Misschien zag ik toen alleen je scherpe randjes en je koude handen. Nu zie ik het anders.  Je was ook de supporter, de zorgzame oma, de trouwe partner en de bezorgde moeder en dat zijn warme herinneringen.

Ik mis je wel, zelfs die koude hand, die onafscheidelijke 33-er en de rook van je sigaret.

Gelukkige verjaardag, moeder. Daar ergens.


Al is het maar een seconde

Herfst, zondagmiddag. Grijze lucht hangt neer met een mistige stilte, zo stil dat ik haar bijna kan aanraken. Alles voelt versteend alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. Toch zie ik in de dreef van het bos nogal wat mensen slenteren. Hun uitdrukkingsloze gezichten vertellen me niets. Hun passen zijn hetzelfde, stap na stap, alsof ze allemaal aanvaard hebben dat er op deze weg geen zijsprongen meer zijn, alleen dit ene pad.

Als ik naar ze kijk, lijkt het alsof ik zelf leef op automatische piloot.  Ik stel me de vraag wanneer ik voor het laatst iets gedaan of gelezen heb dat mezelf of iemand anders in beweging heeft gezet. En bedoel ik niet de alledaagse dingen of de gewone woorden die gemakkelijk inwisselbaar zijn met woorden van gisteren.  Ik bedoel woorden die blijven hangen alsof ze de moed hebben gehad om belangrijk genoeg te zijn, om hun eigen weg te gaan en voor altijd te blijven. Woorden die niemand hardop durft uitspreken en slechts een enkeling durft te schrijven.

Daarstraks sprak ik mijn jongste zoon. Hij is in Nepal om daar zijn wereld te veranderen. Na ons gesprek voelde ik een steek, althans ik denk dat het er een was. Misschien ben ik vergeten hoe het voelt om iets wezenlijks of zinvols te doen zoals hij, of om iets te lezen dat verschil maakt, iets te denken dat niet per se veilig hoeft te zijn. Even voel ik me met deze gedachte alsof ik drijf in een stroom van ideeën waarin de oevers nooit veranderen en het uitzicht altijd hetzelfde blijft.

Misschien ervaar je het ook soms, dat gevoel dat je met de stroom wordt meegedreven en dat je zonder logische verklaring gedachten van anderen in je opneemt zonder je af te vragen of ze wel echt van jou zijn. We lezen snel en vluchtig wat ons wordt voorgekauwd en worden de gedachten die anderen ons opdringen.  We zijn niet meer kritisch over onze acties en doen gewoon wat men van ons verwacht, netjes in het gareel, veilig en ogenschijnlijk comfortabel.

Maar ergens in die stroom, zitten gelukkig nog mensen die tegen de stroming in bewegen. Mensen die zich herinneren dat ze eigen gedachten hebben, een eigen wil of een eigen, onduidelijk plan. Soms vraag ik me af of ik daar nog toe behoor, tot die groep die er liever voor kiest om vergeten te worden door de meerderheid dan hun eigen ideeën en gedachten in een mal te laten persen. Misschien herken je dat gevoel wel, dat je soms onbewust of uit gemakzucht meegevoerd wordt met de stroom zonder echt stil te staan bij datgene wat je beweegt?

Als het zo is, en je hebt even haltgehouden bij deze gedachten of je hebt ze misschien heel even hebt gedeeld, dan voelt het dat ik je niet helemaal kwijt ben en dat ik niet echt verdwenen ben.

Mocht je er morgen ook nog aan denken, zelfs al is het maar een seconde, maakt het voor mij niet zo veel meer uit dat de rest van de hoop me vandaag al vergeten is.

Reis zonder bestemming

De onverwachte oktoberzon hing laag aan de hemel en kleurde licht dat zachtjes naar binnen sloop. In mijn hoofd werd ik erdoor meegevoerd naar plekken die ik allang niet meer had bezocht. De rode schemer had iets rustgevend. Even werd een denkbeeldige pauzeknop ingedrukt waardoor de wereld me niet naar beneden kon trekken of omhoogduwen.

De avondzon liet me dromen en bracht me naar herinneringen die ergens in het stof van het verleden verborgen lagen, niet vergeten en nooit helemaal weg.

Deze namiddag had ik aan een toog van een café gezeten, omringd door mensen, met verhalen die vreemd vertrouwd hadden aangevoeld. Ik was er niet om te praten en ook niet om te drinken, dat doe ik al een tijdje niet meer. Al een lange tijd niet. De fles heb ik neergezet, voorgoed denk ik, hoop ik.

Ik kan niet langer zeggen dat het afscheid dramatisch was. Misschien ben ik het drama vergeten, dat zou ook kunnen. Als ik erop terugblik, geloof ik dat het een vastberaden keuze geweest is, een die ik elke dag opnieuw maak. De eerste jaren voelde die dagelijkse beslissing als een overwinning, alsof ik elke dag een berg kon beklimmen, maar daarna…

Wanneer de euforie weg trekt, begint het echte werk, het werk van opruimen.  Van sommige dingen die ik tegenkwam, wist ik niet of ze van mij waren of ze iemand anders toebehoorden. Het is een soort opruimwerk dat nooit stopt. Niemand waarschuwt je, niemand bereid je voor. Geen ziel die het begrijpt.

Het leven zonder drank is niet per se stabieler. Soms voelt het alsof ik nog steeds door het leven zwalp, niet meer dronken maar nog steeds wankel. Dan lijkt het alsof mijn richting nog altijd wordt bepaald door een andere hand. De wereld bereid ons voor op een bestemming of op een tussenstation dat ergens op ons zou liggen wachten, maar wat als er geen eindpunt is? Wat als ik altijd onderweg zal zijn, altijd zoekend?

Als kind heeft niemand me wijs gemaakt dat er een plek bestaat die er alleen voor mij is. Neen, In plaats daarvan moest ik me leren aanpassen aan verwachtingen en regels van anderen, aan eisen van mijn pa en ma, aan verplichtingen tov leraren van het college (wat heb ik hen gehaat), aan verwachtingen van vrienden, aan werkgevers zelfs aan de lieven die ik had. Allemaal hadden ze een andere versie voor ogen van wie ik moest zijn. “Succes, geld en carrière”, zeiden ze, “dat is wat je moet najagen”.

Succes zo besef ik nu, is een glibberig ding. Het is niet universeel of definieerbaar. De echte waarheid is dat het zich niet laat vangen aan een definitie. En toch deed ik het ook. Het vreemde is, zo besef ik nu, dat ik hen geloofde. Ik geloofde echt dat succes, roem en faam de heilige graal was. Hoe kon ik anders? Niemand had me de keerzijde getoond.

Toen ik veel begon te drinken en dat veel te lang gedaan heb, leek het alsof de antwoorden binnen handbereik lagen, antwoorden op vragen die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De vloeibare moed bracht een valse soort helderheid die ik nooit eerder had gevoeld. Maar nu weet ik, het waren geen antwoorden, het waren rookgordijnen, bedrieglijke illusies die me deden vergeten wie ik diep van binnen was. Ze bedrogen en verdoofden me zodat ik me die ene vraag niet durfde te stellen.

Nu is er geen vluchtweg meer. Geen verdoving. Ik herontdek mezelf en vind mezelf opnieuw uit, langzaam en met kleine stapjes. Soms krijg ik antwoorden, maar de brute waarheid is dat ik nog steeds niet weet wie ik ben. Misschien zal ik wel nooit weten. En dat is niet eens erg. Nooit zal ik echter nog proberen passen in small-talk-verhalen die anderen voor of over mij schrijven. Ze boeien me niet meer. Ik ben ook helemaal klaar met het najagen van het soort succes dat ver buiten mezelf ligt en me niets bijbrengt. Stemmen die anders beweren, zijn er nog wel. Ze zullen er altijd zijn. Soms luid, soms fluisterend, maar ik luister niet meer.

Op momenten als deze durf ik terugdenken aan de dromen die ik heb laten varen, aan dromen die ik had toen ik nog geloofde dat alles mogelijk was. Niet langer met spijt of schaamte, maar gewoon om me eraan te herinneren dat ik altijd wel onderweg zal zijn. Misschien was vandaag, met die ondergaande zon, weer zo’n moment waarop ik besef dat er geen eindbestemming hoeft te zijn, dat de reis zelf genoeg is en dat ik alleen op weg ben.

Misschien is dat wel de grootste bevrijding.

Golven van gedachten

Mensen gaan hun gang zoals ze altijd doen, sommigen met veel lawaai anderen zonder woorden. De afgelopen jaren heb ik geleerd om niet van iedereen te verwachten dat er iets gezegd wordt. Soms heb ik de hoop op een gesprek laten varen, ook al leek dat noodzakelijk. Als mensen willen spreken, zullen ze dat doen, tenzij ze het niet de moeite waard vinden.

Op café, hoewel ik daar haast niet meer kom, zit ik meestal alleen. Ik kies dan een plek uit waar ik mezelf kan zijn zonder te hoeven praten. Ik bestel koffie en een glas water, en observeer en luister. Er is altijd wel iets te zien, een man in een hoek met zijn krant als zat hij op een eiland in een zee van lawaai. Een jonge vrouw achter de toog, die glazen spoelt en klanten bedient, als een danseres elegant bewegend op haar podium. Iedereen is druk of juist minder druk bezig met zijn eigen leven, met zijn eigen gedachten, ik ook. Op zulke momenten heb ik geen woorden nodig. Dan voel ik nauwelijks behoefte om te spreken en helemaal geen drang om te schrijven.

Vroeger fantaseerde ik meer over waaraan mensen denken, wat ze willen zeggen, wat ze voelen of waar hun gedachten naartoe dwalen. Dat doe ik nu minder. Nu kijk ik gewoon. Dat is gemakkelijker en kost minder moeite. Als iemand wil spreken, zal hij of zij dat wel doen. Als ik voor iemand belangrijk ben, vinden ze me wel. Ik hoef niet meer zo nodig te trekken en te sleuren en voel al helemaal niet meer de noodzaak om een gesprek te forceren. Controle heb ik namelijk alleen over mijn eigen daden en woorden, nooit over die van een ander. Dat besef is een opluchting. Het maakt me vrij, op een bepaalde manier.

De wereld om mij heen is groot en luidruchtig. Ik hoef van al dat lawaai niet altijd deel uit te maken. Ik mag kiezen om stil te zijn, om te wachten en te zien wie naar me toe komt. En als niemand dat doet, is dat ook goed.

Vroeger voelde ik me ongemakkelijk bij die stilte. Het voelde als een afwijzing, als een schaduw die het licht bedekte. Nu zie ik het anders. Stilte werd mijn oase, mijn plekje om na te denken, te observeren, te voelen en te groeien. Ik ken veel mensen die alleen maar praten omdat ze hun eigen stilte niet kunnen verdragen. Dan smijten ze hun woorden eruit als netten, in de hoop om iets of iemand te vangen.

Er zit veel waarde in woorden maar niet elk woord heeft betekenis of waarde. Niet elk gesprek moet gevoerd worden. Soms is het beter om af te wachten, te zwijgen en te zien wie mijn stilte kan verdragen.

In die rust van mijn gedachten, ben ik tevreden met mij rol als toeschouwer van het levenstheater. Niet iedereen hoeft te spreken. Niet iedereen hoeft te luisteren. Maar als iemand wil en denkt dat ik iets waard ben, zullen ze wel komen om me te vinden. Het enige wat ik moet doen is geduldig wachten. Als ze niet spreken zegt dat niets over mijn waarde.

Meer en meer voel ik dat mijn eigenwaarde niet afhangt van de woorden of van goedkeuring van een ander. Zo breng ik veel tijd in stilte door, alleen maar niet eenzaam. Soms alleen maar luisterend naar geluiden die ik wil horen en waar ik aandacht aan wil geven, het gerinkel van glazen, het gefluister van de wind.

Maar als iemand wil spreken, zal ik luisteren. En zo niet, dan is dat ook goed. Als niemand spreekt zegt dat ook iets. In dat geval luister ik wel naar de golven van mijn gedachten.

Voortaan ben ik Zwitserland

Vanochtend stond ik op en voelde het gewicht van de wereld aan mijn schouder hangen, niet als een fysieke pijn of last, al is die er ook, maar als een sluimerende druk die me dwingt om deel uit te maken van iets groters.

Altijd heb ik gedacht dat ‘erbij horen’ onmiskenbaar deel uitmaakt van het mens-zijn, wat dat ook moge betekenen. De gezelligheid of de drukte van vrienden, dat gevoel van samenhorigheid, van ‘succes’ vieren, het illustere idee dat diegenen waarmee je een groep vormt, je ook daadwerkelijk begrijpen of naar waarde schatten, dàt dus. Nu mijn hart sneller slaat dan het ooit deed en ik geconfronteerd word met slijtage aan mijn lijf, twijfel ik aan de waarde van dat gevoel.

Ik herinner me avonden in cafés met gesprekken die vervlogen in de rook van sigaretten (toen mocht dat nog) en in het klinken van halfvolle en volle glazen. (Dat deed ik toen ook nog) Lachende gezichten passeren, alsook de schouderklopjes, de kritiek en de oppervlakkige verbintenissen.

Tot nog niet zo lang geleden gaven die dingen me een tijdelijk gevoel van volheid, maar telkens als de dag eindigde en de nacht begon, bleef ik achter met een leegte die steeds moeilijker te vullen was. De glazen bleken te leeg of te vol, de herhalende gesprekken te betekenisloos en oppervlakkig.

Die drang om ergens bij te horen om deel uit te maken van een groter geheel, het gevoel dat ooit aanvoelde als een warm deken, begint nu als een klam laken aan mijn vel te plakken.

De laatste tijd dringt de volgende twijfelende gedachte zich aan me op, ‘Wat als ik vandaag stop met te proberen om overal bij te horen?’

De wereld rondom mij is snel en luidruchtig. Hij is gevuld met mensen die zich haasten om ‘er’ te komen, om ergens te zijn, om iemand te zijn ook al hebben ze geen enkel idee hoe die eruit moet zien. Maar wat als dat niet mijn weg is? Wat als ik rust en voldoening vind in de eenvoud van mijn eigen gedachten en in het alleen-zijn?

Ik hijs me uit mijn zetel en slenter naar het raam. Buiten raast de wereld door, onverschillig voor mijn existentiële mijmering. Het leven gaat door in zijn gebruikelijke, hectische tempo en stoort zich helemaal niet aan mijn gedwongen stilstand. Maar hierbinnen, in mijn kleiner wordende bubbel, heerst een stilte die tegelijk verontrustend als kalmerend is. ‘Is dit wat het betekent om vrij te zijn?’ Ik stel me de vraag luidop alsof het antwoord me zal verlossen van alle verwachtingen en van alle dwingende eisen van het leven.

Het lijkt misschien een domme vraag met een eenvoudig antwoord. Voor mij is het dat niet. De vraag voelt als een onoplosbaar conflict dat diep in mijn wezen ontketend is. De mens is een sociaal dier, dat staat in boeken beschreven. We hebben anderen nodig om te overleven en om betekenis te vinden. Maar misschien ligt betekenis voor mij niet langer in een groepsdynamiek of in de goedkeuring van anderen, maar zit waarde verborgen in de rust die ik in mezelf vind. Misschien kan dit inzicht mij ontdoen van de druk die het leven met zich meebrengt en die nu nog als een zware last aan mijn schouder trekt.

Ik denk ook aan de ‘grote woorden’ die ik graag gebruikte om de kleinheid van mijn wereld en de onmetelijkheid van mijn gedachten te beschrijven. Woorden bedoeld om indruk te maken, om me te bewijzen, nu pas zie ik hun ijdelheid in. Woorden, het zijn maar woorden, zelfs mooi geschreven veranderen niets aan de werkelijkheid. Misschien is het hoogtijd om daarmee te stoppen, om de illusie van grandeur te laten voor wat die is en om mijn bestaan een beetje eenvoudiger te bezien.

Ik keer terug naar mijn zetel en leg de laptop op mijn schoot. De zon schijnt een schuchter regenzonnetje dat binnen een uur zal verdwenen zijn. Ik begin te schrijven, niet voor anderen, maar voor mezelf. Mijn gedachten gaan sneller dan mijn pijnlijke schouder toelaat ze in woorden om te zetten. Sierlijk, pijnlijk maar ogenschijnlijk moeiteloos vloeien ze over het scherm, simpel, duidelijk en bevrijd van de noodzaak om er indruk mee te maken. Ze staan naakt en ontdaan geschreven. Ik hoef er van niemand een denkbeeldige goedkeuring over te krijgen. Ze zijn de ultieme bevrijding van alle ingebeelde verplichtingen die ik mezelf ooit heb opgelegd.

Misschien raak ik nooit helemaal verlost van de druk om ergens bij te horen. Misschien zit die verwachting in mijn DNA gevangen of is het een diepgeworteld instinct dat nooit helemaal zal verdwijnen. Maar ik besef meer dan ooit dat alleen ik de keuze heb om er niet naar te handelen. Ik mag mijn eigen pad kiezen, zelfs al is het soms moeilijk of eenzaam.

Terwijl ik deze laatste zin schrijf, voel ik me helemaal rustig en zelfzeker worden. Die laatste zin gaf me nu pas echt toestemming om mezelf te zijn, bevrijd van alles wat iedereen zegt en losgekomen van wat iedereen denkt of van me vraagt.

Voortaan ben ik Zwitserland, ook voor mezelf!