Categorie: Autobiografisch

Golven van gedachten

Mensen gaan hun gang zoals ze altijd doen, sommigen met veel lawaai anderen zonder woorden. De afgelopen jaren heb ik geleerd om niet van iedereen te verwachten dat er iets gezegd wordt. Soms heb ik de hoop op een gesprek laten varen, ook al leek dat noodzakelijk. Als mensen willen spreken, zullen ze dat doen, tenzij ze het niet de moeite waard vinden.

Op café, hoewel ik daar haast niet meer kom, zit ik meestal alleen. Ik kies dan een plek uit waar ik mezelf kan zijn zonder te hoeven praten. Ik bestel koffie en een glas water, en observeer en luister. Er is altijd wel iets te zien, een man in een hoek met zijn krant als zat hij op een eiland in een zee van lawaai. Een jonge vrouw achter de toog, die glazen spoelt en klanten bedient, als een danseres elegant bewegend op haar podium. Iedereen is druk of juist minder druk bezig met zijn eigen leven, met zijn eigen gedachten, ik ook. Op zulke momenten heb ik geen woorden nodig. Dan voel ik nauwelijks behoefte om te spreken en helemaal geen drang om te schrijven.

Vroeger fantaseerde ik meer over waaraan mensen denken, wat ze willen zeggen, wat ze voelen of waar hun gedachten naartoe dwalen. Dat doe ik nu minder. Nu kijk ik gewoon. Dat is gemakkelijker en kost minder moeite. Als iemand wil spreken, zal hij of zij dat wel doen. Als ik voor iemand belangrijk ben, vinden ze me wel. Ik hoef niet meer zo nodig te trekken en te sleuren en voel al helemaal niet meer de noodzaak om een gesprek te forceren. Controle heb ik namelijk alleen over mijn eigen daden en woorden, nooit over die van een ander. Dat besef is een opluchting. Het maakt me vrij, op een bepaalde manier.

De wereld om mij heen is groot en luidruchtig. Ik hoef van al dat lawaai niet altijd deel uit te maken. Ik mag kiezen om stil te zijn, om te wachten en te zien wie naar me toe komt. En als niemand dat doet, is dat ook goed.

Vroeger voelde ik me ongemakkelijk bij die stilte. Het voelde als een afwijzing, als een schaduw die het licht bedekte. Nu zie ik het anders. Stilte werd mijn oase, mijn plekje om na te denken, te observeren, te voelen en te groeien. Ik ken veel mensen die alleen maar praten omdat ze hun eigen stilte niet kunnen verdragen. Dan smijten ze hun woorden eruit als netten, in de hoop om iets of iemand te vangen.

Er zit veel waarde in woorden maar niet elk woord heeft betekenis of waarde. Niet elk gesprek moet gevoerd worden. Soms is het beter om af te wachten, te zwijgen en te zien wie mijn stilte kan verdragen.

In die rust van mijn gedachten, ben ik tevreden met mij rol als toeschouwer van het levenstheater. Niet iedereen hoeft te spreken. Niet iedereen hoeft te luisteren. Maar als iemand wil en denkt dat ik iets waard ben, zullen ze wel komen om me te vinden. Het enige wat ik moet doen is geduldig wachten. Als ze niet spreken zegt dat niets over mijn waarde.

Meer en meer voel ik dat mijn eigenwaarde niet afhangt van de woorden of van goedkeuring van een ander. Zo breng ik veel tijd in stilte door, alleen maar niet eenzaam. Soms alleen maar luisterend naar geluiden die ik wil horen en waar ik aandacht aan wil geven, het gerinkel van glazen, het gefluister van de wind.

Maar als iemand wil spreken, zal ik luisteren. En zo niet, dan is dat ook goed. Als niemand spreekt zegt dat ook iets. In dat geval luister ik wel naar de golven van mijn gedachten.

Leven op ruïnes

Mezelf of anderen vergeven blijkt dan toch niet dat te zijn wat ik dacht dat het was. Het is al zeker geen kwestie van het allemaal te vergeten of het weg te vegen alsof het er nooit is geweest.

Vrede krijgen met het verleden is eerder het opgeven van de hoop dat het anders had kunnen zijn, anders had moeten zijn.

Dat mistige verleden ligt nu ver achter me. Maar het was een puinhoop, als ik dat zo mag zeggen, een die ik niet meer kan herstellen of wegdenken. De storm heeft hevig huisgehouden en heeft schade aangericht. Toch ben ik niet langer diegene die alle brokstukken terug op hun plaats moet leggen. Het zou trouwens onbegonnen werk zijn.

Die puinhoop heb ik lang genegeerd. Ik deed alsof hij er niet was. Dan vluchtte ik weg en dronk ik om hem niet te zien om zo de machteloosheid in stilte te dempen of met veel lawaai uit te schreeuwen. Het heeft me nergens gebracht

In dromen achtervolgt dat verleden me soms nog als een spookstad waarin ik rondwandel. Dan zie ik oude gebouwen en straten vol herinneringen aan mensen die er ooit samen met mij in hebben rondgedwaald. Maar alles is ingestort. Alles wordt dan opnieuw akelig echt de puinhoop die het vroeger was.  Tot ik boos, angstig of overmand door schuldgevoel wakkerschiet.

Ik zou ervoor kunnen kiezen om kwaad te blijven want ik ben lang boos geweest. Boos op mensen, boos op de wereld maar toch vooral boos op mezelf.  Alleen, woede is een nutteloze emotie. Het brengt niets terug, het brengt niets bij en het bouwt niets op. Het sloopt alleen maar verder.

Ik moest leren dat vergeven betekent om kwaadheid en schuldgevoel te laten gaan en te aanvaarden dat het soms is wat het is. Ik leef nu verder in die ruïnes. Dat werd mijn nieuwe stille stad, de plek waarin ik leef zonder om te kijken, zonder misplaatste hoop dat het beter had kunnen zijn. Het is goed zoals het is.

Maar eerst moest ik heropbouwen op datgene wat over was en nog rechtstond, zelfs al betekende dat dat sommige dingen vanaf de grond moesten worden rechtgezet. Ik denk dat ik die genen van mijn vader geërfd heb.  Die zei als het leven hem tegenzat ook, “breek deze tempel af en morgen bouw ik een nieuwe”. De laatste maanden dacht ik vaak aan zijn woorden.

Alleen niemand heeft me een bruikbare Ikea-handleiding gegeven hoe ik het moest aanpakken. Geduld en intuïtie was alles waarmee ik het moest stellen.

Dus begon ik. Eén steen tegelijk. Geduldig en vastberaden, niet omdat ik wist wat ik aan het doen was, maar omdat ik geen andere keuze had. Vergeving, geduld en zelfzorg werden mijn gereedschap om te bouwen. Dat is niet groots of heldhaftig. Integendeel, het is klein en stil. Het deed mijn hoofd buigen om verder te kunnen gaan, zelfs als ik niet wist waarheen, zelfs als ik niet meer wist waaraan ik aan het bouwen was.

Sommige mensen heb ik moeten loslaten. Ik heb liefde, vriendschap en genegenheid voor een aantal mensen moeten lossen, mensen waarvan ik dacht dat ze er voor altijd zouden zijn. Sommige vielen plots weg, sommigen verdwenen langzaam uit mijn gezichtsveld. Er zijn er vele verdwenen, dat is pijnlijk en soms nog moeilijk.

Maar ook dat is aanvaarding. Dat is leren om de hoop op een ander einde te laten varen en het te laten voor wat het is. Ik heb nu een redelijk goede connectie met mezelf gevonden en met een klein groepje mensen die bij me passen waardoor ik opnieuw vooruit kan.

Geen enkele spijt, wrok, jaloezie, afgunst of woede zal me mijn “oude stad” teruggeven die ze ooit was, voor de storm.  Ik geloof zelfs dat ik er niet meer zou aarden. Het enige wat ik kan doen, is met geduld aan mijn “tempel” blijven bouwen, op de ruïnes van het verleden.

Duister gezelschap

Hij is een vreemd en duister gezelschap, een genadeloze vijand en een ongewenst heerschap waarvan ik wenste dat ik hem niet had ontmoet. Soms sluipt hij ongevraagd binnen in de vroegste uren van de ochtend wanneer de wereld nog stil en rustig is. Dan weer verschijnt hij diep in de nacht om mijn rust te verstoren door mijn schouder en rug met denkbeeldige messteken te doorboren. Hij heeft vele gedaanten en evenveel namen, maar zijn gezicht blijft onveranderlijk en onverzettelijk. Hij ziet er afschuwelijk uit.

Zoals gisterennacht, hij verscheen langzaam in de stilte van de nacht, eerst als een storend gefluister. Dan werd het een troebele nachtmerrie die snel uitgroeide door zijn alles verterende aanwezigheid. Hij is geen oppervlakkige verkenner die komt en gaat. Neen, hij neemt de gedaante aan van een diep wortelende zeurende last die zich vastzet in elke beweging, in elke kuch en in elke ademstoot. Hij komt zonder uitnodiging en weigert te vertrekken, hoe vaak ik het hem ook vraag of smeek.

Pijnstillers bieden nauwelijks of slechts tijdelijke verlichting en ze zijn een dubbelsnijdend zwaard. Aan de ene kant dempen ze wel de felste pijnscheuten en maken ze dragelijker. Langs de andere kant dragen ze gevaren met zich mee die nog angstaanjagender zijn dan zijn aanwezigheid zelf.  Verslaving, afhankelijkheid en de voortdurende dreiging van gewenning maken me angstig en onrustig. Het wankele evenwicht tussen verlichting en de risico’s van verslavende pijnmedicatie blijft een ongelijke strijd die ik liever niet aanga.

Het ergste zijn niet de gekneusde botten en kapotte gewrichten, maar niet kunnen doen en laten wat ik wil, niet kunnen bewegen en voelen hoe mijn pijnlijk lijf beperkingen oplegt die ik zo vroeg nog niet had verwacht. Dat is een nieuwe gewaarwording. Vannacht werd hij een constant dreigende schaduw die bij me blijft en heel aanwezig is, bij elke beweging en bij elke gedachte.

Er is weinig troost want hij verlengt deze onverdraaglijke nacht die ik niet bewust wens te beleven. Hij maakt elke minuut zwaarder en elke seconde langer.

Hij is onlosmakelijk verbonden met mijn bestaan en al een tijdlang mijn persoonlijke metgezel. Soms vrees ik zelfs dat hij zolang zal blijven tot het moment dat ik mijn laatste adem uit zal blazen. Hij, een donkere wolk die me achtervolgt, heel aanwezig en dreigend, als onwelkome gast die mijn plezier en vreugde verstikt en hoop in de weg staat of zelfs in de kiem smoort.

In plaats van zijn aanwezigheid te aanvaarden schrijf ik hem nu weg in de duisternis van deze lange nacht. Hopelijk kan ik zo eventjes uit zijn genadeloze greep ontsnappen.

Pijn, die gemene, genadeloze klootzak die terwijl ik dit schrijf elke druppel vreugde uit de nacht zuigt tot er niet veel meer overblijft dan een schrale herinnering aan hoe die ooit was, rustig en kalm, tot hij onverwacht opdook.

Ik haat hem, maar hij zal me er altijd aan helpen herinneren van het gevaar wanneer ik de volgende keer besluit om met een slaapkop en badslippers als schoeisel de trap af te komen.

Kruispunten van hoop

Schuchter verjaagt de ochtendzon een duisternis die het deze nacht nooit is geweest. In de schemerige hoeken van mijn gedachten, waar onverwachte herinneringen dansen als paarse schimmen in het noorderlicht, hou ik halt op de kruispunten van mijn leven.

Deze nostalgische mijmering voelt aan alsof ik op verweerde boswegjes loop die overwoekerd zijn met alle keuzes die ik ooit maakte en met diegene die ik vermeed. In elke stap hoor ik de echo van mijn verleden, als ondefinieerbaar ballast dat ik meezeul, een onuitwisbare stempel op mijn ziel.

Ik herinner me vaag die bewuste nacht. Die nacht dat ik de leegte van mijn ziel voorgoed probeerde te vullen met de vloeibare troost van de fles? Dat ene moment dat mijn leven door mijn vingers leek te vloeien als zand in een dichtgeknepen vuist, en ik die wanhopig de tijd probeerde te stoppen door hem te verdoven. Op dat kruispunt stond ik, wankelend en laverend tussen gitzwarte duisternis en het vage licht van hoop. Hoe gemakkelijk zou het zijn geweest, om te kiezen voor de weg van de minste weerstand en mezelf kwijt te spelen in de mist van mijn ondergang.

Maar ik deed het niet. Ergens, diep vanbinnen, fluisterde een onbekende stem van verzet. Een stem die smeekte om gehoord te worden, te midden van het lawaai van mijn zelfvernietiging. Ze kreeg de volle aandacht. Het was alsof mijn hele lijf dat laatste sprankeltje hoop vastgreep, als een verloren liefde die smeekt om vergeving.  Op dat kruispunt nam ik met bevende handen en een hart dat bijna brak van angst, aarzelend en voorzichtig een eerste stap op het pad van mijn herstel.

Neem het van me aan, het was geen gemakkelijke keuze, het was de moeilijkste die ik ooit nam. Elke dag was een gevecht, een strijd tussen het verlangen naar verlossing en de lokroep van de duisternis. Maar langzaam, heel langzaam, begon ik de schoonheid te zien in de worsteling.  Nu lijk ik eindelijk ontwaakt uit een lange verwarde droom. Nu pas bekijk ik de wereld om me heen voorzichtig met nieuwe ogen.

Ik kijk naar het leven alsof ik me in het lichaam van een dode vriend bevind. De afwezigheid laat een leegte achter die ik nooit zal begrijpen, een leegte die nooit meer helemaal gevuld kan worden. Het is een pijn die als een schaduw over mijn dagen zal blijven hangen. En toch, te midden van dat gemis en verdriet, ontdek ik een nieuwe, ietwat vreemde soort dankbaarheid. Ik heb geleerd te waarderen wat ik heb en elke beperking te aanvaarden alsof ze er niet is. Ik leer elke dag te leven en elk moment te koesteren alsof het mijn laatste is.

En nu, sta ik hier, bijna elf jaar nuchter, en laat de kruispunten uit het verleden achter me als herinneringen die langzaam vervagen. Ik kan niet zeggen dat ik nooit twijfel, dat ik nooit wil dat ik andere keuzes had gemaakt. Maar elke misstap, elke val, elke traan en elke lach, elke breuk en elke scheur hebben me gebracht naar de plek waarop ik me vandaag bevind. En hoewel de wegen en de keuzes nog steeds onzeker zijn, voel ik een vreemde rust. Dit plekje is eindelijk van mij en het is van mij alleen.

En nee en voor alle duidelijkheid, ik begrijp nog steeds niks van het leven. Met die twijfel stel ik me de vraag of mijn woorden ertoe doen, of mijn verhalen verschil maken. Dan denk ik aan diegenen die nog steeds worstelen en op zoek zijn naar een lichtpuntje in hun duisternis.

Dan weet ik dat zelfs wanneer mijn pen aarzelt, mijn stem nog steeds haar weg zal vinden en mijn woorden kunnen gelezen worden, al is het maar door een eenzame ziel, iemand die net als ik twijfelt of door iemand die nood heeft aan een lichtpunt in de verte.

Misschien mag ik hem of haar die hoop niet ontzeggen?

De waarheid schrijft zichzelf niet in de nacht

Het is lastig om me in deze toestand tot jou te richten.  Mijn pijnlijke schouder confronteert me namelijk bij elke beweging met de beperkingen ervan. Elke beweging, zelfs de simpelste handeling, neem nu het typen van deze intieme gedachte, is een pijnlijke uitdaging. Met slechts twee vingers navigeer ik traag en onhandig over het toetsenbord. Mijn pijnlijk lijf en mijn woorden lijken me in de steek te laten terwijl ze wanhopig proberen te beschrijven wat er gaande is.

Het is alsof mijn lichaam zich tegen me keert en tegen me samenspant, elke beweging, hoe minimaal ook, wordt een herinnering aan mijn kwetsbaarheid en aan mijn vergankelijkheid.

Woorden druppelen traag als een lekkende kraan maar ik weiger me over te geven aan de frustratie die me bedreigt. “Pijn is tijdelijk, slechts voorbijgaand”, prevel ik. “Het is slechts een donkere wolk die zal wegdrijven”.  Ondertussen zet ik mijn gedachten op papier, hetgeen ik altijd doe, vinger voor vinger, letter voor letter, tot mijn boodschap is overgebracht.

Pijn, is een eenzame strijd. Het is een gevecht dat ik voer met mezelf en met mijn eigen lichaam. Dus hier hang ik, mijn schouder stijf, gespannen en pijnlijk, maar met een vastberaden geest die onwankelbaar blijft. Ik kies ervoor te schrijven omdat praten nog moeilijker is.

Ken je die momenten waarop gesprekken moeilijk verlopen, waar verbinding ongrijpbaar of onmogelijk lijkt. Woorden en zinnen verdwalen dan in de leegte tussen jezelf en de ander, alsof er een onzichtbare barrière tussen zit en ondoordringbaar lijkt.

Ik ken ze maar al te goed. Dan voel ik me een vreemde in mijn eigen lichaam. Dan spreek ik woorden alsof ze van een vreemde zijn. Ik probeer ze wel te sturen of te vormen naar wat ik wil vertellen, maar ze blijven steken in de ether van onuitgesproken gedachten.

En dat, beste lezer is ook een eenzame strijd, een gevecht met mezelf en met de wereld om me heen. Ik stel me de vraag wat ik kan doen om tot hen door te dringen en kan achterhalen wat zich afspeelt achter de maskers die ze dragen.

Misschien ben ik niet gemaakt voor deze wereld van woorden, misschien is zwijgen beter en hou ik het liever stil. Misschien ben ik veroordeeld tot oppervlakkigheid, tot onbegrip en misverstanden.

Maar zelfs op mijn zwakst, met een pijnlijk lijf dat opspeelt en met woorden die verdwijnen in de nacht, blijf ik geloven dat ergens een waarheid wacht om gevonden te worden.

En daarom zal ik blijven schrijven, tot het zomeruur, tot het ochtendgloren en mijn pijnlijke schouder me dwingt om te stoppen. De waarheid schrijft zichzelf immers niet in de nacht!

Goed of druk, de enige goede antwoorden

Minstens vijf mensen vroegen me gisteren: “Hoe gaat het met jou?” Mijn bijna automatische reactie is dan: “Goed, het gaat goed, denk ik, en met jou?” Uit een soort van beleefde reflex, maar ook om aan te geven dat ik niet heel zeker ben of het wel echt goed met me gaat. Hoe kun je dat trouwens met zekerheid zeggen?

Al gauw ontdek ik in die vraag een handige manier om me uit te horen en vooral om te pronken hoe “goed” en “spannend” het leven van de vraagsteller zelf is. “Druk, nieuwe auto, eindelijk promotie, dure reis”, dat soort dingen waarmee mijn interesse tot een gesprek nauwelijks wordt gewekt.  Het was hen niet eens opgevallen dat ik van mijn antwoord niet heel zeker was. De vraagtekens hadden ze niet gehoord.

Een ander of een oprechter antwoord dan “goed”, zou waarschijnlijk geen verschil gemaakt hebben. De meesten waren immers te druk met zichzelf bezig om te verdoezelen dat mijn antwoord hen maar weinig interesseerde.

“Goed, het gaat goed”, werd dan snel een soort openingsbod, in Christies of in een ander prestigieus veilinghuis waarmee ik het opbod van mijn persoonlijk succes als een duur kunstobject moest aanprijzen om gekocht te worden. Alleen er waren geen kopers of bieders geïnteresseerd in zeldzaam antiek.

Ik had net zo goed kunnen antwoorden, “Ik ben er even niet, gelieve een bericht te laten na de biep”. Het resultaat zou hetzelfde zijn geweest. Mijn antwoordapparaat zou op een identieke manier zijn volgepraat. Alleen had ik dan de keuze gehad om snel door te gaan naar het volgende bericht.

En zo werd het gesprek, dat er nooit één geweest is een zwart gat waarin woorden verdwijnen. “Goed, het gaat goed, denk ik, hoe gaat het met jou?”, lijkt dus niet de juiste vraag of het juiste antwoord om een echt gesprek mee te starten.

Spijtig toch, hoe mensen, opgesloten door succes en vergrendeld achter oppervlakkigheid of angst zichzelf verheffen en opgejaagd door het leven vliegen alsof ze er meer dan één bezitten.

Wanneer we elkaar dan ontmoeten, ik traag en kwetsbaar, jij snel en vastberaden, beiden met sterren die vastzitten in onze ogen en in ons hart, ontken ik jouw leugen en word ik onzeker van mijn waarheid die ik verberg als monsters die zich diep in mijn hart verschuilen en zich achter slot en grendel bevinden. En dan hoop ik maar dat de dubbelgangers van mezelf die ik niet mag tonen, nooit vroegtijdig zullen worden vrijgelaten.

Om mezelf en jou te beschermen, lijkt het me dan ook verstandiger om voortaan te antwoorden, “Goed, het gaat goed”, maar dan zonder te vragen hoe het met jou gaat.

Ik weet namelijk al dat alles goed is en dat je het druk hebt.

Wat het betekent om mezelf te zijn

‘Niets wat ertoe doet is gemakkelijk’, denk je dat ik dat niet weet. Neem nu mezelf. Op een dag word ik een goede man, fatsoenlijk, liefhebbend, rustig en dan zal ik ertoe doen, ooit misschien. Maar ik ben die man nog niet. Ik ben namelijk onfortuinlijke eigenaar van een schaduwzijde die een sluier werpt over mijn aspiraties en over wie ik wil zijn. Vriendelijk ben ik niet altijd, met woorden vaak te scherp. Ik ben er te gulzig mee terwijl ik met mijn daden te voorzichtig of te spaarzaam omspring. Denk niet dat ik dat niet weet, ik zie het wel in jullie blikken en hoor het wel aan jullie zuchten.

Als ik dan tijd neem, zoals afgelopen week toen ik vanop een trap in Parijs, mezelf met wat afstand wou bekijken, voelde ik me een beetje verloren in mijn eigen kleine denkwereldje. Daar, in de anonimiteit van de lichtstad van nostalgische schoonheid, probeerde ik het onbegrijpelijk mysterie van mezelf te doorgronden. Het leek alsof ik probeerde een vrouw te begrijpen, soms kijkt ze afstandelijk en ontglipt ze me alsof ze iets achterhoudt, dan weer trekt ze zich terug in de schaduw van mijn eigen onzekerheid, luiheid, opstandigheid of koppigheid.

Op zulke momenten, wanneer woorden haperen en zinnen vastlopen in donkere hoeken of op eenzame trappen, voel ik dat ik altijd mezelf nog heb. Dan dwaal ik rond in dat labyrint van gedachten en emoties, soms verward, soms helder, meestal compleet ongrijpbaar. Het is daar op die vertrouwde plek waar twijfel en zekerheid met elkaar in conflict gaan en hun eeuwige strijd voeren, als rivaliserende minnaars op een strijdtoneel waar duistere demonen moeten verjaagd worden en waar engelen vrij mogen gelaten worden.

Telkens ik op dat plekje terechtkom, vraag ik me af of het me ooit zal lukken om die man te worden die bedachtzame woorden met zorg zal uitkiezen en zijn daden met meer compassie en daadkracht zal leiden. Niets wat ertoe doet is gemakkelijk of vanzelfsprekend. Mijn grootste uitdaging, dat ben ikzelf. Zal ik die innerlijke storm ooit onder controle krijgen? Misschien hoeft dat niet eens. Misschien is het net die worsteling die me dwingt om te blijven onderzoeken, om mezelf te leren kennen en om zo bedachtzaam vooruit te blijven gaan?

Ik ben niet perfect, verre van dat, maar ik vlucht niet meer en dat ben ik aan mezelf leren waarderen.  En wie weet, word ik zo, ooit wel een man die ik wil zijn, met zachte woorden en met krachtige daden. Tot die tijd zal ik blijven schrijven over mezelf om mijn innerlijke wereld te verkennen, en om proberen te begrijpen wat het betekent om mezelf te zijn.

Oude, grijze gazet

Door alle wensen die ik op deze heuglijke dag mag ontvangen, lijkt het erop dat ik vandaag de leeftijd van 55 heb bereikt. Nu ik me in de spiegel zo bekijk, zie ik een kerel die eruitziet alsof hij al een paar keer in de touwen van het leven heeft gehangen.

Kijk ook naar me, als je durft tenminste. Mijn haar is grijs, mijn huid is gekreukt als een oude krant, en mijn lichaam schreeuwt om genade. De rimpels op mijn gezicht vormen de kaart van mijn leven. De wegen die ik afgelegd heb kan je volgen met een vergrootglas, de reis boeiend, de bestemming nog steeds onbekend. Zelfs kortgeknipt zijn mijn haren even grijs als een vergeten gazet en met elke nieuwe dag voelt mijn lijf aan alsof het ieder moment uit elkaar kan vallen.

Je hoort het goed, ik ben nog steeds hier, nu om over mijn nieuwe ouderdom te klagen, dus laat me dat dan maar doen. Soms denk ik dat ik met mijn onstuitbare jeugdigheid en mijn nieuwsgierige geest nog steeds de wereld kan veroveren om hem naar mijn hand te zetten, diezelfde wereld die me al een paar keer een ferme boks in mijn maag gegeven heeft. Onstuitbare jeugdigheid! Echt, dat was sarcastisch bedoeld want ik voel me vandaag als dat vergeten basilicumplantje, eens fris en fruitig, nu verdroogd en verrimpeld omdat ik te lang op het aanrecht in de zon heb gestaan.

Mijn reputatie als avonturier van losgeslagen gedachten heeft me zowel bewondering als medelijden opgeleverd. Hoe zeggen ze dat? Het leven is een slagveld en ik? Ik ben al lang verslagen omdat ik niet langer in oorlog ben. Het is al goed, en als het slecht is, is het ook goed.

Het mag een wonder zijn dat ik überhaupt mijn 55ste verjaardag heb gehaald. Misschien loop ik vandaag langs de dokter om mijn hoofd nogmaals te laten checken, misschien stop ik met roken, niet zeker of ik dat wel wil. Ik zie wel. Maar één ding is wel zeker. Ik zal altijd blijven lachen, met mezelf en met de rol die ik nog steeds heb in deze tragikomische biografie van mezelf.

Dus op deze heuglijke dag en net zoals elke andere dag maak ik mijn entree met gebruikelijke flair, zeker van mijn tekst en met narigheid, zelfmedelijden en de juiste dosis sarcasme en zelfspot, als clown van mijn eigen circus.

The show must go on. Sent in the clown!

Het gezicht van een verslaafde!

In de spiegel kijk ik elke dag naar dit gezicht, het is het gezicht van een verslaafde. Het aan durven om deze persoon strak in de ogen te kijken, vergde moed, dat soort moed dat je heel diep in jezelf moet zoeken wil je het vinden. Dat was zonder enige twijfel het moeilijkste wat ik ooit in mijn leven heb gedaan.

Die confrontatie met mezelf aangaan, heb ik veel te lang uitgesteld. Ik danste eromheen zoals een bokser rond zijn uitdager danst om de fatale uppercut te ontwijken. Uiteindelijk werd ik toch met een genadeloos, fatale mokerslag definitief tegen de touwen geslingerd.  Pas later drong het tot me door dat ik om uit de meedogenloze klauwen van de drankduivel te blijven, ik voorgoed uit de boksring moest blijven.

Decennialang heb ik gedronken. Ik kende geen maat.  Als vluchteling van mezelf verdoofde en onderdrukte ik de realiteit met de vertrouwde roes en deed dat zolang tot ik mezelf tot aan de rand van de afgrond had geduwd. Ik sprong niet maar keek wel in de duisterste put. Het heeft weinig gescheeld.

Door de fles werden mijn karaktergebreken en mijn kleine kanten louche figuren die me overal schaduwden. Ik werd impulsief, roekeloos, en handelde zonder na te denken over gevolgen. Mijn onverzadigbare dorst naar sensatie en opwinding leidden me naar gevaarlijke situaties of lokten ze uit, zowel fysiek, mentaal als emotioneel. Ik wist dat ik grenzen moest stellen, alleen ik wist niet hoe. Immers, mijn koppige, eigenwijze en verslaafde brein fluisterde me steeds opnieuw toe dat ik ze niet nodig had. “Maak je geen zorgen, het is niet zo erg, jij kan wel stoppen, als jij dat echt wil.” Tot ik tot het tragische besef kwam dat ik dat niet meer kon.

Ik schaam me niet voor mijn verleden, wel voor sommige details ervan. Vandaag is het tien jaar en een dag geleden dat ik mijn laatste glas gedronken heb en ik in de kelder van mijn ziel de moed en de kracht vond om niet langer naar het eerste te grijpen.

Iedereen die me een beetje kent, zal het beamen, “Jan is recht door zee, hij heeft het hart op de tong”. Het is helemaal niet ondenkbaar dat ik jou met mijn kwetsbare openhartigheid beledigd heb en dat misschien soms nog doe. Geen zorgen, het is jouw weerstand die je toespreekt, maar jouw verzet is niet mijn kompas.  Ik laat me niet meer sturen door andermans oordeel. Dat deed ik vroeger en zie waar het me gebracht heeft. Stilte is niet langer mijn motto, toch zal ik jou nooit verwijten dat je denkt dat je onoverwinnelijk bent en dat je vermoedt dat het jou niet kan overkomen. Ik deed het zelf zo lang!”

Toch ben jij niet de eigenaar van mijn verleden. Dit verhaal en de donkere hoofdstukken van mijn biografie behoren enkel mij toe. Ze werden een voor een geschreven uit noodzaak om het heden te kunnen waarderen en om mezelf graag te leren zien, al gebeurt dat soms nog als manke koorddanser op een wiebelende koord. Vandaag sta ik sterk en stabiel, althans sterker en stabieler dan vroeger. Hopelijk doe ik dat morgen ook, maar de toekomst bestaat niet. Daarover zal ik geen uitspraken doen of er onzekere beloftes over maken.

De greep van een verslaving en mijn inzicht discrimineren niemand.  Het mag allemaal publiek bezit worden. Ik weet dat ik verslaafd ben en dat altijd zal blijven. Dat was vroeger zo, dat is vandaag zo en dat zal zo zijn, alle dagen die ik op deze aardkluit doorbreng.

Maar schaamte hoort daar niet meer bij. Ik en andere lotgenoten hoeven ermee niet gestigmatiseerd te worden. We hoeven niet als zwak neergezet te worden, want zwakte is ons etiket niet, zeker niet het mijne.

Dus hier sta ik nogmaals op om te spreken. Wat tien jaar geleden als een angstaanjagend avontuur begon, groeide uit tot een overtuiging, mijn overtuiging. Het hoeft de jouwe niet te zijn. Toch roep ik op deze verjaardag met mijn hart in mijn handen en mijn ziel op jouw schoot heel luid dat verslaafd zijn levens verwoest, niet alleen levens van verslaafden maar ook die van hun families en geliefden.

Na tien jaar besef ik dat mijn misbruik een dwaalspoor was naar grootsheid en naar (maatschappelijke) aanvaarding, eigenlijk was het gewoon de gemakkelijkste dekmantel voor mijn innerlijke onzekerheden. Ik vluchtte voor mijn zelfbeeld, voor mijn angsten en voor de confrontatie met mijn ware ik.  Voor zelfacceptatie was geen plaats. Daarvoor stond de fles in de weg, de fles die tegelijk mijn schild en mijn gevangenis was. Ze vertroebelde zo hard mijn zicht dat ik mijn innerlijke demonen niet meer herkende en door het waas niet meer zag wie ik werkelijk was.  Zwakheden en gebreken werden een vertrouwde jas als onderdeel van mijn duistere schaduw, altijd aanwezig maar zelden volledig erkend. Tot het tij keerde en ik ze allemaal recht in de ogen keek.

Met dit berichtje gooi ik nogmaals mijn masker af. Daardoor kies ik ervoor om niet naamloos te blijven. Ik heb een verhaal en een verleden. Ik ben niet langer anoniem, want in mijn anonimiteit hield ik te lang de oplossing verborgen van het echte probleem.

Daarom sta ik hier opnieuw, open en bloot. Mijn naam is Jan.  Dit is mijn gezicht, het is het gezicht van een verslaafde!

Een merel met een levensles

“Tijd druppelt langzaam weg als regendruppels op het vensterglas”, zeg ik stilletjes in mijn hoofd tegen iemand van de aanwezigen die er altijd is.  Terwijl dauw streepjes trekt op de ruiten van het tuinhuis, zit ik aan mijn vijvertje, een kop koffie binnen handbereid en met een sigaret tussen mijn vingers, de ogen doelloos gericht op de horizon van mijn hofje.

Een merel huppelt op het gazon, met zwarte veren vochtig als het gazon zelf, nog nat van de nachtelijke dauw. Ik zie dat aan de minuscule druppeltjes op zijn zwarte verenkleed. Hij zet zenuwachtige pasjes en zijn kop gaat op en neer terwijl zijn kraaloogjes schitteren met geduldig vertrouwen. Elk stapje lijkt doordrenkt te zijn met een kalmte van iemand die zichzelf de kunst van het wachten heeft aangeleerd.

Hij wacht geduldig en zijn kopje draait af en toe met aandacht die alleen gericht is op het gazon onder hem, als een jager met een prooi in het vizier.

Opeens verschijnt uit het natte gras een regenworm, duidelijk geïrriteerd door het gehuppel boven hem.  Met een bliksemsnelle beweging die zijn wachten lijkt te belonen, duikt de merel neer. Meedogenloos vindt zijn snavel het doel waarop hij al die tijd gewacht heeft. De merel vliegt weg, de buit stevig vastgeklemd in zijn snavel.

Het gazon en de toeschouwer van dit spektakel blijven achter, met de levensles van een geduldige merel en de beloning van wachten op het juiste moment.

Wachten en ongeduld, mijn twee oude vervelende metgezellen, even loyaal als storend. Ze wijken nooit van mijn zijde. Het zijn als schaduwen die nooit echt verdwijnen en zullen dat misschien nooit helemaal doen.

Ik heb op zoveel gewacht in dit leven, op antwoorden die nooit kwamen omdat de vragen niet duidelijk of te moeilijk gesteld waren of gewoon omdat het antwoord zelf te complex was om te begrijpen.

Ik wachtte bijvoorbeeld in een kille wachtkamer bij de dokter, terwijl de klok aan de muur elke seconde van de tijd liet horen als echo van mijn ongeduld en ik mijn bange gedachten afleidde met tijdschriften vol vergeelde pagina’s.

In de winters van mijn leven wachtte ik op zomerse beloften van wilde avonturen en bedwelmende vrijheid. In de zomers verlangde ik naar rust en gezelligheid van koude sneeuwdagen. Seizoenen komen en gaan en glippen als zandkorrels door mijn handen en laten me achter met verwachtingen aan de hitte of koude of met een verlangen naar meer.

Op maandagen wachtte ik op vrijdag, op werkdagen wachtte ik op vakantie. Tijdens drukte verlangde ik naar rust en als ik me verveelde wachtte ik op actie.

Op onbeantwoorde liefde heb ik ook gewacht en misschien is dat wel het zwaarste wachten dat er bestaat. Ik wachtte op haar blik, op een gesprek, op een glimlach, op hoop. Vol ongeduld, vol verlangen en spanning wachtte ik vergeefs op die ene vlinder die in mijn gedachten zou komen fladderen om op mijn hart te landen.  Wachten op vlinders die niet op je hart landen is het ergste wat er bestaat.

En toch kwam zonet dat ene moment. Waren het mijn gedachten, was het die vlinder of die merel? Het doet er niet toe maar plots kom ik tot besef dat ophouden met wachten de grootste bevrijding kan zijn. Hier zit ik, met de rook van mijn sigaret rond mijn hoofd, terugdenkend aan al die verspilde momenten en wat ze me hebben opgeleverd.

Ze worden alleen nog een deuntje dat zachtjes speelt op de achtergrond.”

“Ik wacht niet meer! Om hoe laat komt de volgende trein, maar vooral waar zal hij me brengen?

Plotseling is alles stil

Met de reflectie van mezelf op het scherm van mijn laptop staar ik vanachter een leeslamp naar een maagdelijk witte bladzijde van een leeg Microsoft Word document.  Het is een paar minuten over middernacht en ik probeer te ontdekken welke nachtelijke gedachten schuilgaan achter deze lege pagina. Het schuifraam staat op een kier en een voelbare nachtbries fluistert herinneringen van de dag in mijn oor.

Ik schrijf nog niets omdat ik me afvraag of het aantal bladzijden die ik zinnens ben te vullen evenredig zal zijn aan de diepte van mijn gedachten. Mijn zoon zei het me twee uur geleden nog, ‘Vader’ zei hij plechtig, (zo begint hij alleen een zin als hij me iets belangrijks te vertellen heeft) ‘je schrijft niet slecht, daar niet van, integendeel je schrijft goed, maar je zegt niks. Je hebt geen verhaal. Het enige wat jij doet is zinnen schrijven die niemand begrijpt. Wanneer ga je eens echt beginnen schrijven, een roman of zo?’

In de ijskast staat een halflege fles rosé. De roodkleurige inhoud lijkt te dansen in de schijn van het lampje dat zich net boven de fles bevindt, alsof ze me tot een sensuele tango wil verleiden.

Ik schenk mezelf een glas in, vul het tot de rand met ijsblokjes en laat de geur van de wijn mijn zintuigen prikkelen, benieuwd of ze dit wulps verleidingsspel kunnen doorstaan. Eventjes bekijk ik met een glimlach deze dans met de duivel van een afstand en laat hem even abrupt eindigen als hoe hij begonnen is, vastberaden en met gekletter van ijsblokjes die ik met de inhoud van het glas en met de rest van de fles in de pompsteen uitkieper.  

Het vuur van deze actie verspreidt zich in mijn lijf als een warme gloed en laat de woorden opborrelen als belletjes die openbarsten aan de oppervlakte van mijn geest al ware het bubbels van een fles dure champagne.

“Schrijven is net als vissen,” zeg ik tegen de enige persoon die getuige mag zijn van dit nachtbraken, ik dus. “Je werpt je hengel uit in een stroom van gedachten en wacht op dat ene moment, op dat ene glinsterende idee dat zich vasthaakt als de worm aan de haak van de lijn waarmee je je ziel vangt. Maar hoeveel bladzijden nog moet ik vangen alvorens ik begrepen word? Is het een kwestie van ‘veel schrijven en bladzijden vullen’ of gaat het toch over de schoonheid en over de nuance van dat ene woord? Maar vooral, heeft mijn zoon gelijk?

Ik richt mijn ogen op het scherm en op de zinnen die al geschreven zijn. Ze lijken te fonkelen als de belofte van een nieuw avontuur en lees wat er al staat, ‘In mijn begindagen zwierf ik door verlaten steegjes in mijn hoofd. Ze waren doordrenkt van schaamte en van schuld en waren geplaveid met verlangen naar rust.’ Ik trachtte de complexiteit van mijn ziel vast te leggen met welgekozen zinnen. En toch, hoe meer ik zulke dingen schrijf, hoe duidelijker het me wordt dat begrepen worden niet zal afhangen van de omvang van mijn verhalen, noch van de lengte of van de complexiteit van mijn zinnen.

In een asbak op het terras duw ik een peuk uit en keer terug naar mijn geïmproviseerd bureau. Ik laat mijn handen rusten op het toetsenbord.  Mijn vingers strelen de toetsen als een man die het lichaam van zijn lief verkent. Monotoon getik vult de nacht met zachte ritmes die mijn vertwijfelde gedachten onthullen in de schaduw van mijn leeslamp.

Nietszeggende woorden vloeien opnieuw op mijn elektronische griffel als een stromende beek, soms wild en tumultueus, dan weer kalm en bedachtzaam. Ik besef nu dat de kracht van schrijven niet ligt in de hoeveelheid bladzijden die ik ooit zal vullen, maar in de oprechtheid van mijn pen waarmee ik mijn wereldje beschrijf, vertwijfeld, eerlijk, zonder maskers en al evenmin zonder pretenties. Want dat is het enige wat mijn ziel bevrijdt.

En dat, mijn zoon, dat is de enige kunst en het enige plezier dat ik zoek in het schrijven.  Misschien hoopte ik ooit een spaarzame selectie lezers te vinden om mijn eigen emoties, gedachten en betekenissen op te projecteren, dat is het al lang niet meer. De kunst van begrepen worden ligt niet in wat er geschreven staat maar in wat weggelaten is, om de stilte te laten spreken, en om de tijd in alle rust zijn werk te laten doen.

En plotseling wordt alles stil.

Oneindig labyrint

In de kleinste uren van de nacht, terwijl de wereld vredig slaapt, dwaal ik door de gangen van mijn gedachten. Ik blijf er gekluisterd aan de verborgen schatten van mijn geest. Elke gedachte, elke keuze, klein of groot wordt ontoombaar door mijn geest ontrafeld, geanalyseerd en omgedraaid al ware het een kostbaar manuscript.

Ik ben een onrustige slaper, mijn brein weigert te rusten, ook nu weer. Het gaat op zoek naar onvindbare dingen uit het verleden of het spint garen op onzekerheden van de toekomst. Niets gebeurt zomaar of vrijblijvend, geen enkele beslissing simpel, stom, klein of groot wordt lichtvoetig genomen.  ‘s Nachts gebeurt alles weloverwogen alsof het allesbepalend is voor mijn lot. Alsof alles ervan afhangt.

De meeste mensen, zelfs diegenen die dicht bij me staan snappen er niks van. Ze noemen me besluiteloos, lui of zweverig.  Ze hebben geen idee.  Ze begrijpen niet dat die paniekerige twijfel nodig is om er elke losse rafel aan vast te maken. Het lijkt misschien niet zo, maar àls ik dan eenmaal mijn koers bepaald heb, zal geen enkele storm me van mijn pad kunnen brengen.

Overnacht zijn mijn gedachten net als stille kerkklokken die elk uur onhoorbaar luiden, alsof ze in alle stilte mijn beslissingen aankondigen.  De echo ervan weerklinkt alleen door in de ruimte van mijn grote hoofd om ze daar nog wat verder te onderzoeken.

Overdag reageer ik eerder impulsief. Omdat mijn geheugen moe is of omdat ik blindelings vertrouw op oplossingen die mijn gevoel me s’ nachts hebben ingefluisterd.

Doorheen de dag raast de wereld met snelle tred haastig voorbij terwijl ik nood heb aan vertraging. Door te leven met de voet op de rem wordt het gemakkelijker om van het moment te genieten zonder me met zinloze dingen te hoeven bezighouden. Maar mijn gedachten blijven voortdurend vooruit en achteruit reizen. Met schetsen uit het kladboek van het verleden schilderen ze scenario’s van wat in de toekomst kan zijn, terwijl hun schaduwen onzichtbaar over mijn schouders sluipen.

Telkens opnieuw blijf ik mijn innerlijke kompas ijken om bewuster te leren van de hartslag van het moment. Met die tijd kan ik mijn gedachten bevrijden van hun constante zoektocht naar antwoorden op vragen waarop geen antwoord bestaat. Misschien dat ik daarom nooit te laat kom, om beter voorbereid te zijn op datgene wat komt, om niet verrast te worden maar ook omdat ik in mijn hoofd minstens drie alarmklokken heb gezet.

Je zou het me niet nageven maar mijn onuitgesproken verwachtingen zijn hoog opgespannen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de wereld rondom mij.  Mijn streven naar de perfectie van innerlijke rust lijkt soms een vloek, maar het is mijn drijvende kracht om de juiste dingen te blijven doen.

Door die onrust maak ik relaties waarschijnlijk gecompliceerd en hoogstwaarschijnlijk moeilijk. Ik weet dat wel. Samenleven met mij zal af en toe een verschrikking zijn, omdat ik in mijn hoofd elke woordenwisseling, elk stilzwijgen of elk luider gesproken woord een andere lading geef door er een diepere of andere betekenis aan te geven dan diegene die jij eraan gaf.

Hier sta ik dan naar mezelf te kijken, als overdenker van de gedachte, elke dag op zoek naar een zandkorrel in de woestijn.  In de betonnen wereld die er vaak voor kiest om oppervlakkig te zijn blijf ik zoeken naar een klavertje vier. Het lijkt dan alsof ik gevangen zit in een oneindig labyrint, waarvan elke gang leidt naar een andere gang, naar een andere vraag, naar een nieuw inzicht of naar een ander soort begrip.

Ik geeuw, het is ondertussen zeven uur ’s morgens en jij wrijft de slapers uit je ogen, de mijne vallen dicht.