Lijstjes en nummertjes.

Een er ietwat slobberig uitziende vrouw, ik schat haar vijfenveertig, is diep in gedachten verzonken en zit warm ingeduffeld op een bank in het park voor zich uit te staren. Ze maakt ingebeelde lijstjes over de dingen die haar bezighouden, die ze zeker nog moet doen en die ze zeker niet mag vergeten. Niet dat de nummercombinatie van haar fietsslot of de code van haar bankkaart zich op een van die lijstjes bevindt of dat erop geschreven staat dat ze de soep voor straks nog moet ontdooien, neen dat is het niet. Die cijfertjes zijn zo belangrijk dat ze die nog uit het hoofd kent en ze niet op een lijstje hoeft te schrijven. Op haar eigen manier bepaalt zij met een ingebeelde cataloog de volgorde van zaken die echt belangrijk zijn, en niet uitsluitend van belang voor vandaag of voor morgen of voor zichzelf maar ze maakt een ingebeelde opsomming van dingen die heel belangrijk zijn voor de het dorp, voor de stad, voor het land of op het minst voor de hele wereld. Ze kan daar nu tijd voor maken want ze was toch aan het dromen en de wolken beginnen al op te trekken. Lijstjes maken is heel belangrijk in de kringen waarin ze elke dag vertoeft. Niet dat de mensen waarmee ze dagelijks omringd is, zich bekommeren over lijstjes die zij schrijft want de meesten onder hen zijn te druk in de weer met hun persoonlijke lijstjes. Als bejaardenhulp in het rusthuis krijgt ze namelijk alle dagen van de week te maken met dementerende oudjes die, om niet te vergeten lijstjes maken van dingen die voor hen belangrijk zijn. Die kattenbelletjes slingeren dan her en der rond of verzamelen zich in een schoendoos op de vensterbank zodat de volgeschreven papiertjes hen er steeds aan herinneren dat ze niet vergeten wat ze die dag niet mogen vergeten. Op al de lijstjes van alle dementerende oudjes van alle kamers van het rusthuis vind je naast een vergeelde foto van hun geliefde partner, de geheime code van de bankkaart die ze al lang niet meer bezitten omdat de kinderen al die belangrijke dingen zelf op hun eigen lijstje hebben gezet.

Ik betrap me er zelf op dat ik ook lijstjes bijhoud en dat zelfs die indexen al ziekelijke vormen beginnen aan te nemen.  Zo leg ik al een tijdje lijstjes aan van dingen die ik niet mag vergeten te zeggen of van woorden die ik kan gebruiken voor mijn schrijfsels. Ik bewaar ze in een brillendoos die ik overal naartoe zeul omdat mijn leesbril daar ook in zit en ik anders de lijstjes niet kan lezen die ik erin bewaard heb. Als ik vlug ben, tel ik vijftien kleine papiertjes en als ik eerlijk ben, zijn het er twintig. Thuis bewaar ik napoleonsnoepjes, pepernoten, chocolade en koekjes, ook allemaal in hun eigen doos maar dat is iets anders en heeft dat eerder te maken met mijn compulsief-neurotisch karaktertrekje. De brillendoos, dat is wat anders, daar leef ik naarstig in en ik word er actief van of helemaal passief. Ik zal de briefjes die ik erin bewaar nooit vroegtijdig weggooien omdat ze tot me spreken en ze me toe roepen: ‘niet vergeten, niet vergeten… let op dat je het niet vergeet.’ Niet dat ik van die vergeet-mij-nietjes in paniek raak hoor want ze geven me houvast maar als ik dan toch eens begin te twijfelen keer ik terug naar mijn versterkt kasteel, naar mijn vertrouwde brillendoos.

De oudjes in het rusthuis worden net zoals mijn vader zaliger ook elke dag door lijstjes en briefjes toegeschreeuwd, en worden net op dezelfde manier elke dag toegeroepen door wegglijdende gedachten op papier.  Op die briefjes houden ze voor zichzelf bij op welke knop zij moeten drukken en op welke knop zij absoluut niet mogen drukken, door wie ze worden opgehaald en door wie ze worden vergeten, en dat ze best gaan zitten als ze moeten pissen. In de liefdesbrief die mijn vader elke dag schreef, stond telkens geschreven dat hij het haar morgen niet mocht vergeten te vragen.  Elke dag opnieuw schreef hij in hanenpoten de pincode van zijn bankkaart op een briefje dat hij in de schoendoos op de vensterbank stopte tussen minstens dertig briefjes waarop dezelfde nummertjes geschreven stonden.  Nummertjes die ooit zo veel belangrijker waren dan het grootse wereldprobleem maar die nu enkel nog maar vier nietszeggende getalletjes meer zijn.

Vlag van de overwinning.

Vanmorgen stond ik traag op, zo langzaam dat zelfs dat veel tijd in beslag nam om tot het besef te komen dat ik er nog ben, dat ik nog besta, misschien zelfs nog voor iemand anders dan voor mezelf. Nu niet dat ik vind dat ik een grote rol van betekenis heb in dit grenzeloze universum van onbegrijpelijke chemische verbindingen en fysische toevalligheden. Neen dat is het zeker niet want toen ik daarstraks de slapers uit mijn ogen wreef heb ik een absurde maar vrij geweldige sensatie meegemaakt. In een intieme bliksemflits realiseerde ik me plotseling dat ik niemand ben, niemand, absoluut niemand. Hoe ouder ik word hoe onbenulliger en nutteloos ik me soms voel. Je zou deze zelfanalyse ten onrechte als plat zelfbeklag kunnen bestempelen maar deze gedachte zou afbreuk doen aan mijn puurste intieme reflectie van totale overbodigheid. Wanneer verveling me verdooft en ik het leven in zijn groots- en kleinheid probeer te begrijpen, begeef ik me met mijn gedachten soms op een gevaarlijk pad. Op zulke momenten denk ik dat de kwelling van het relatieve me misschien beter zou kunnen maken maar meestal kom ik bedrogen uit omdat ik veel liever wat anders zou doen.

Meditatie of zelfreflectie mag dan misschien wel een godsgeschenk zijn voor ongekende huis-tuin en –keukenfilosofen of voor koeien in de wei, voor mij begint het denken pas wanneer ik kan tateren of schrijven om op die manier de erbarmelijkheden uit het donkere hoekje van mijn eigen ik te halen. Schrijven is dan de aangenaamste of gemakkelijkste manier om het leven te relativeren of om het te negeren. Hier mag ik ongestoord krabben aan littekens van oude en nieuwe wonden die ontstonden in gevechten die ik tot nu toe uit de weg ben gegaan. Met schrijven mag ik aan mezelf ontsnappen en kan ik me verbergen achter mijn geweten en mijn ziel die zich verstopt achter onbenulligheden of achter dingen die het daglicht niet mogen zien. Ik hoop maar dat mijn ziel of de realiteit van het leven me nooit zullen vinden en dat ik vandaag gewoon mag onthouden wat ik gisteren genegeerd heb zodat ik morgen mag worden wie ik vorige week verloren ben. Dan pas kan ik die al opgelopen nederlagen vieren met een vlag van de overwinning en zal ik eindelijk misschien iemand worden. Op een dag, wanneer de zomer en ’t schoon weer samenvallen.

Sprei van verwachtingen

Als ik, al dan niet noodgedwongen, met mezelf als grootste knuffelbeer een beetje rust gevonden lijk te hebben, is er in mijn hoofd toch altijd iemand aanwezig die vastberaden het woord neemt. Iemand die zich met zijn aanwezigheid in het episch centrum van mijn denkbeeldig universum waant. Daar zit hij gewrongen tussen een andere iemand die zich op zijn beurt probeert te verzoenen met nog een ander iemand die er met iets meer bescheidenheid woont. Op het grijze voetpad van mijn hoofdstraat lopen mannen in strakke maatpakken en vrouwen op hoge hakken. Zonder ze een blik te gunnen passeren ze clochards die er zich op hun stuk karton een plaats hebben toegeëigend om van daar naar de wereld te kijken of hem beter proberen te begrijpen. Maar de figuranten zitten niet in mijn hoofd want als ik eruit ontsnap merk ik dat het leven dat ik leef ook bestaat uit mensen die machtsbalansen creëren of ze proberen in stand te houden. Ze balanceren op de weegschaal tussen diegenen die de dingen zeker denken te weten en tussen diegenen die er nog niet over nagedacht hebben, of wie het niets meer kan schelen.

Met mijn gebrek aan kennis dat zichzelf niet langer meer in vraag stelt, knuffel ik mijn persoonlijke naïviteit en bevattingsvermogen maar maak me tegelijk hoofdverdachte want ik pleit even schuldig door de verwijten die ik anderen maak of over oordelen die ik erover vel. Ik moet er mee ophouden want ik heb ze nodig, de andere mensen. Al was het maar om mijn eigen onwetendheid af te toetsen of om me te leren hoe ik op een andere manier kan kijken en voelen en scherper perspectief te krijgen. Op de keper beschouwd ben ik dan toch een mensen-mens die zich wederzijds afhankelijk maakt van anderen, anders had ik nooit kunnen leren kussen want in mijn eentje was dat tot dan toe nog nooit gelukt al had ik dat ooit weleens geprobeerd, ’s avonds in mijn bed met een dik kussen onder een sprei van verwachtingen.

Een kreeft die niet kan vliegen.

Als verveling me verdooft, droom en fantaseer ik, dat is dan wat ik doe. Dan ijl ik, over alles en over niets. Contemplatie en meditatie mogen dan voor onbekende filosofen en voor koeien die naar een trein kijken een geschenk uit de hemel zijn, ik slaag er niet in om mijn hersenfabriek volledig lam te leggen en zo rust te vinden in het niets of iets wat daar heeft naast gelegen. Mijn radarwerk blijft als maar doordraaien, klokvast, als dat van een Zwitsers horloge en dat doet het net zolang tot de slingers ervan stilvallen om haar te bevrijden van het storende ritmische getik.  Stupide gedachten kunnen me zolang gijzelen tot ik er in uitgesponnen zinnen kan over beginnen filibusteren. Dan pas vluchten ze weg, die gedachtenschimmen, als ze me ingefluisterd hebben dat schrijven voor mij de meest efficiënte manier is om het leven dat me aan het kapot maken is, een beetje te begrijpen of om het te negeren, al draag ik daardoor wel de storende littekens mee van al die heldhaftige gevechten die ik daarmee uit de weg ging.  Toen ik vannacht knobbelde in een van die absurde ingebeelde fantasieën, realiseerde ik me plotseling, als in een intieme lichtflits, dat ik eigenlijk een niemendal ben, dat ik dat altijd al geweest ben en dat ik dat altijd zal blijven, dat ik daardoor niet veel meer voorstel dan een kreeft die niet kan vliegen. Ik realiseerde me ook dat ik nooit veel meer zal voorstellen dan een niet-vliegende kreeft omdat elk soort van ambitie me vreemd is. Vanmorgen nam opstaan, net zoals elke ochtend van elke andere dag van de week tijd in beslag omdat ik nooit echt helemaal klaar lijk te zijn voor de realiteit van het leven, ook al heeft die me daarstraks wel gevonden toen ze me duidelijk maakte dat kreeften niet kunnen vliegen en dat wellicht nooit zullen kunnen omdat hun pantser daarvoor te zwaar is. Zoals zo vaak kom ik er met koffie en een peuk achter dat ik eigenlijk van niets weet en dat ik van niets zeker kan zijn. Als de cafeïne en de nicotine dan eindelijk in mijn bloedbaan geraakt zijn en daar een paar zenuwen een trap onder hun kont gegeven hebben, vraag ik me af of ik datgene wat ik nu voel wel moet voelen en of hetgeen ik nu denk wel moet denken. En dan lijkt het telkens opnieuw dat ik in die onwetendheid plezier lijk te scheppen terwijl ik veel liever iets anders zou willen doen. Kreeften laten vliegen bijvoorbeeld maar dat zal me wellicht nooit lukken en die nederlaag vier ik met de vlag van de overwinning en met een boterham met krab sla.

Blaas je bel eens stuk!

Licht geïrriteerd trek ik in twee trekken de vuurkegel van mijn Marlboro light zo heet zoals ik alleen dat kan. In twee halen en in evenveel tellen stook ik het papier en de tabak van mijn sigaret in geen tijd op tot aan de filter. Op dat zelfde moment giet een kalende man van middelbare leeftijd, die op minder dan tien passen van mij verwijderd is, zijn ribbeltjespint met één langgerekte teug en zonder te slikken in één keer naar binnen. De handelingen waar van sprake, hadden zich het afgelopen half uur al vier keer herhaald. Mocht ik ervoor gekozen hebben om op dat moment voor de tv te hangen, hadden deze volstrekt onbelangrijke feiten die zich op donderdagavond omstreeks 9u38 op het buitenterras van een oerdegelijk Vlaams bruin biercafé afspeelden, niet plaatsgevonden. Nu dus wel, zoals elke week trouwens op donderdag want ikzelf en nog een paar andere verstokte rokers staan daar wekelijks. We zuigen daar aan onze sigaret, aan onze sigaar of aan onze met nicotine gevulde elektrische pijp omdat we al een tijdje en meer bepaald, sinds we in de eeuw van de betutteling zijn aanbeland, naar buiten zijn verbannen om daar gezellig rond een hoge ronde partytafel in de rook te hangen. De paria’s van de kroeg moeten namelijk sinds dan buiten paffen. De al vervuilde fijne stoflucht van niet-rokers die binnen blijven zitten, wordt zo niet met nog meer fijn, vuil stof bezoedeld zodat deze er net iets properder kan ingeademd worden. Diegenen met wie ik wekelijks op donderdagavond omstreeks 9u38 mee rond de tafel hang om te paffen, begrijpen dat allemaal omdat ze nadenken en een beetje sociaal normbesef vertonen opdat mensen die toevallig op donderdagavond ook naar dat oervlaams biercafé trekken hun longen er niet per c  met teer, nicotine of met andere schadelijke brol hoeven te vullen omdat wij daar voor kiezen. Zij zullen er op donderdag en vaak op alle andere weekdagen die eindigen op dag wel voor opteren om hun lijven tot aan hun adamsappels vol te gieten met pinten of met andere geest verrijkende drank. Dat is namelijk hun manier om vijftien jaar eerder de pijp aan Maarten te kunnen geven omdat levercirrose en maag- of darmkanker hun uitverkoren terminus is. Wij kiezen met ware doodsverachting in onze blik eerder voor longkanker en dat is ook ons goed recht. Eigen kanker eerst!

Maar het was niet dat grote maatschappelijk thema dat ik hier wil aansnijden. Niet dat ik mij niet aan rook- of drankonverdraagzaamheid stoor maar omdat bubbels bij mij nog meer innerlijke onrust veroorzaken. En voor de duidelijkheid, ik heb het niet over doorzichtige, wiebelende door afwasmiddel geproduceerde balletjes die door de wind mee gedragen worden en waarin regenbogen wonen en die een vlek achterlaten net nadat ze zijn uiteengespat. Ik heb het over verontrustende bubbels waarin we ons allemaal bevinden en waarin we ons terugtrekken om ons te beschermen tegen mensen die in andere bubbels wonen van waar ze naar de wereld kijken. Om van achter glazig vlies te kijken naar een wereld die ze niet meer begrijpen omdat ze zich in hun persoonlijke bubbel enkel nog met gelijkgestemden omringd hebben. Ze zijn beperkt in klankbord en in tegenspraak zodat ze stom worden en afgestompt raken en niets meer kunnen relativeren. Mak en laks omdat ze door het vlies van de bubbel waarin ze zich verschuilen elkaar niet meer horen en elkaar niet meer verstaan. Over die bubbels heb ik het, over de isoleercellen waarin we ons met mensen van dezelfde soort opsluiten en waarin we ons rood van woede kunnen ergeren aan gedrag en aan geroep van anderen of aan de rook- en drinkgewoonten van diegenen die zich in de andere bubbel bevinden. Maar wees op uw hoede want het zijn geen bubbels met regenbogen waarin we ons bevinden. Het zijn betonnen kooien die onze blikken versmallen en onze natuurlijke aard om te ontdekken teniet doen.

 En jij? In welke bubbel zit jij en wanneer blaas jij je bel eens stuk?

%d bloggers liken dit: