Tijdelijk herwonnen jeugd

Ik schrijf om niet vergeten te worden. Wie mijn lezer is, weet ik niet, en dat is niet belangrijk. Misschien wordt het dat pas wanneer dit verhaaltje wordt opgevist uit een gammele kist op een of andere zolder, ooit. Misschien krijgt het dan de betekenis die ik er nu wil aan geven, wanneer een lezer met zijn ogen door mijn gedachten bladert, en er dezelfde ondefinieerbare twijfel in voelt die nu door mijn ziel woedt. Ik ben Jan, zoon van Jef de gereedschapsdraaier en van Carola de ruziemaker. Dit is de ingekookte versie van een praatjesmaker van drieënvijftig die door het leven bedeeld werd met een onmetelijk ego, een vuil blad en met een uiterst breekbaar hart. Buiten ongepast zelfmedelijden en wat losse rafels heb ik niets aan het hoofd al lijkt het als je onder de oppervlakte kijkt dat ik mijn verstand en mijn hart verloren heb. Met aandoenlijk kinderlijke melancholie verberg ik de utopische euforie van mijn jeugd en die van vergeten figuranten die erin passeerden en die net als ik slachtoffer werden van domme onwetendheid of van nog dommere hoogmoed.  De tragedie van het leven is dat men niet oud wordt maar dat men zich jong blijft wanen. Toch verdwijnt iedereen net zoals ik op een dag naar de achtergrond, langzaam door de tijd vergeten. Ik ben Jan en koos mezelf als hoofdpersonage, omdat hij de enige is die overblijft wiens gedachten en emoties ik nog vertrouw. Dat gaat zo wanneer jeugdige onschuld ingehaald wordt door een roekeloos verleden. Een verleden dat met elke dag die voorbijgaat meer terreinwinst boekt op een korter wordende toekomst. Wat hier neergeschreven is, is een levende getuigenis van een half leven dat even zinvol als zinloos voorbijvloog en waar niet veel meer van overblijft dan de tijd die erin verdwijnt. De herfst blaast mijn laatste zomerdag weg om nooit meer terug te komen. Met het vallen van het blad weet ik dat levenservaring een kam is die je van het leven cadeau krijgt op het moment dat je kaal begint te worden. Of drieënvijftig de juiste leeftijd is om tot die vaststelling te komen, weet ik niet. Mijn haargrens bevindt zich namelijk nog precies op dezelfde plaats waar ze zich dertig jaar geleden bevond, al wijt ik dat eerder aan de rimpels op mijn voorhoofd die mijn vel zwaarder doen wegen waardoor mijn haarlijn naar onderen getrokken wordt. Ik zeg maar wat, maar kaal, ben ik nog niet. Toch ben ik het vandaag aan mijn leeftijd verschuldigd om me tot de leeftijdsgroep van de ‘puberende vijftigers’ te rekenen. Gewoon maar vijftig worden is voor groentjes. Het is vanaf drieënvijftig dat men opnieuw recht van spreken krijgt in de grijzer wordende leeftijdscategorie waartoe ik behoor. Al doe ik dat spreken straks misschien best iets luider opdat ze me anders niet horen of verstaan. Officieel zal de stempel ‘vijftig+’ vanaf maandag meer inkt achterlaten wanneer ik de voorrangskaart voor een zitplaats van de trein laat afstempelen. Drieënvijftig dus, en officieel oud. Vanaf maandag zal ik me ten volle vijftiger voelen omdat mijn alsmaar stijver en dikker wordend lijf meer plaats zal innemen dan wanneer ik nog met een veertig+ karkas bedeeld was. Ik ben me ook meer en meer bewust van alle lichamelijke kwaaltjes en van alle andere ellende die met dit cijfer gepaard gaan. Maar niet alles is even kut als ik het hier laat uitschijnen. Ik begin namelijk de kunst te verstaan om mijn lichamelijke beperkingen en mijn mentale obstakels te herkennen en te aanvaarden. Dat mijn libido al eens vaker foert zegt hoeft niet echt een probleem te zijn want dat lijfelijk ongemak raakt met een pilletje in een wip opgelost. De tijd dat ik daar beschaamd over was ligt ver achter mij. Ik los dat wel op. En nu ik deze woorden neerschrijf onder een Noorse sterrenhemel bedenk ik me dat dit alles een uitspraak zou kunnen zijn van een huurmoordenaar die mijn toekomst vermoordt of van een loodgieter die me sust met de gedachte dat zolang de dichting van het kraantje het houdt, het wellicht niet zal lekken. Waar ik echter niet aan gewend raak, is dat ik irritant saai begin te worden en dat ik dat nieuwe gevoel nog als cadeau aanvaard ook. Wie had dat ooit kunnen denken? Hopelijk word ik met deze nutteloze levenswijsheid, net zoals dit tekstje niet vergeten, ik word namelijk niet elke dag drieënvijftig. Maar eerst ga ik met mijn tijdelijk herwonnen jeugd nog een paar Vikingen verslaan en wie weet springt er morgen toch nog een zalm in mijn net.

Elk avontuur begint met een blik in de verte.

Nu ik hier in het Noorden ben beland, stel ik me een lezer voor. Jij dus, die zichzelf inspecteert met wat ik heb geschreven. Wat ben ik ermee? Welk nut heeft het? Waarom zou ik überhaupt een poging wagen om te achterhalen wat jij denkt over wat ik denk, over wat ik zie of voel? De zin om me te wapenen en om te vechten tegen de weer- en zinloosheid waar ik op een dag zeker de strijd zal van verliezen ben ik aan het kwijtraken en dat voelt juist. Inzicht komt met de jaren zegt men en met de jaren komt ook het besef dat hoe beter ik de dingen begrijp hoe harder mijn verlangen groeit dat ik ze liever nooit had begrepen. Een geschikte gesprekspartner om over die dingen van gedachten te wisselen is hier niet. Daarom richt ik me tot jou, mijn zielsverwant want jij stelt me nooit teleur. Met woorden die recht uit mijn ziel stromen geef ik jou de volmacht om hem helemaal te inspecteren. Als je dat wil tenminste. Zo wordt schrijven diep graven in mijn ziel met jou als stille, aanwezige getuige. Meer hoeft het niet te zijn.

De tranen komen vanzelf, geen idee waar ze vandaan komen of waar ze me naartoe brengen. Het ene moment kijk ik om en luister en voel glimlachend naar de weg die ik al afgelegd heb. Een seconde later stroom ik helemaal over, compleet overweldigd met twijfelende emoties en onbegrijpelijke prikkels die ik niet onder controle krijg. In mijn hoofd worden kleine kabbelende beekjes snel stromende rivieren en kolkende watervallen. Ik beweeg niet. Ik kijk niet weg maar onderga de reflectie van mijn gedachten. Het enige wat ik kan doen, is ademen en voelen hoe de indrukken van mijn gedachten en emoties geabsorbeerd worden om ze helemaal gewaar te worden. De afgelopen dagen heeft mijn wereld uit niet veel meer bestaan dan uit verwondering voor schoonheid en emotie van puurheid. Met de rust die ik hier voel, lijkt het erop dat met de tranen die over mijn wangen rollen alle ruis van de wereld wordt weggespoeld. Ze doen me even terugblikken. Op deze plek vind ik woorden die zeggen wat ik elders niet uitgesproken krijg. “Als mijn scherpe woorden ooit jouw gedachten hebben beïnvloed, neem ik ze terug. Als mijn sombere blikken ooit jouw dag hebben verduisterd, neem ik ze terug. Als mijn zoute tranen ooit jouw vurigheid en geestdrift hebben getemperd, neem ik ze terug. Allemaal, ze behoorden alleen mij en passen niet bij jou.

Ik heb het leven te lang en te dikwjls genegeerd. Ik heb het ontkend en zelfs ontvlucht. Hier met mijn DNA als enige gezelschap merk ik dat stilaan alle weerstand wegvloeit. Het enige wat ik nog voel is sentimentaliteit zonder oorzaak. Een soort van onderliggende werkelijkheid die niet in relatie of in verhouding lijkt te staan met de dagelijkse realiteit waarop ze betrekking heeft. Ze braakt alleen als lava van vulkaan uit mijn lijf. Ik raak maar niet uitgevoeld. Het voelt alsof al mijn zintuigen wagenwijd openstaan en ik niet in staat ben om er langer weerstand tegen te bieden. Misschien gaan die tranen wel over iets anders, over een elastiek die me strak aan het leven bindt en helemaal wordt uitgerekt waardoor me niets anders rest dan te wachten tot hij knapt. Ik kan er niets meer over vertellen want meer valt er niet te zeggen. Ik ben blij dat ik alleen ben. Het zou ondraaglijk zijn om nu in iemands gezelschap te verkeren, welk gezmschap dan ook. Ik zou niet weten wat te zeggen. Soms en zeker nu denk ik dat mijn persoonlijk leven tegelijk van iets teveel en van iets te weinig bevat. Dan is het te vol, dan weer te leeg maar nooit op maat gedoseerd. Ik zeg dan wel dat ik het leven wil voelen om erin woorden in te verdrinken of om er woordeloos boven te zweven maar de twee werelden waarin ik leef zijn tegenstrijdig. De ene is gereguleerd en geprogrammeerd en dus duidelijk, saai en gedoemd tot regelmaat en sleur. De andere plek is vrij en helder, onbegrijpelijk turbulent en net zo peilloos diep als het ijskoude bergmeer vol onzichtbare onderstromen. Precies het meer waar ik nu mijn blik op richt. Hoe ik het leven aanvoel is hoe ik het wil leven, storend voor mezelf, emotioneel-chaotisch en sensueel onhandig voor jou, mijn lezer. Controle of grip zal ik er nooit op krijgen. Misschien wanneer ik straks wakker word en opnieuw helder ben zal ik tot besef komen dat dit misschien wel mijn allerbeste kwaliteiten zijn. Dus laat me hier in het Noorden nog maar even in deze gedachten spitten want elk avontuur begint met een blik in de verte.

Een koe die saffraan eet.

Wanneer ik nadenk over persoonlijke triomf en over de totale nutteloosheid ervan, moet ik teruggaan naar de tijd – het moet ergens halverwege de jaren negentig geweest zijn – dat ik nog handbal speelde en ik dacht dat succes, winst en aanzien het allerbelangrijkste in het leven was. We trainden dikwijls, speelden vaak wedstrijden, die we soms wonnen en soms verloren, dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Soms haalden we met onze prestatie een enkele keer sportweekend, maar alleen wanneer er tijdens dat weekend toevallig geen voetbal- of wielerwedstrijd was. Ik herinner me nog dat ik nijdig werd toen Mark Vanlombeek mijn naam als Pultjo – of iets dat daar op leek – uitsprak en ik in prime-time een tegenspeler nogal hardhandig in de tribune keilde en er een rode kaart aan overhield. Dan komt een mens eens op Tv, lappen ze je dat. Elke week opnieuw trokken we vanuit Lebbeke naar Kortrijk, naar Eupen of naar elders ten lande, om daar te proberen de held van het speelveld en van de competitie te worden. Soms lukte dat, maar vaker of meestal ook niet. Dat gaat nu eenmaal zo in de sport. Een keer werd ik geselecteerd voor de Belgische elite en mocht ik mee op interland naar Ijsland om daar de nationale kleuren te helpen verdedigen. Sportieve afgang heb ik nooit eerder zo hard ervaren als toen, in die met Vikings afgeladen volle sporttempel in Rejkjavik. Mijn brutale hoogmoed werd via alle kanten rond mijn hoofd aan diggelen gegooid. En ik, die dacht dat ik op handbalgebied wat voorstelde. Wist ik veel dat die Gunnarsons en Steffansons en alle andere -sons (elke naam in Ijsland eindigt op -son behalve als je zonder piemel geboren wordt dan eidigt hij op -dottir) die ons die avond mochten vernederen, stuk voor stuk hun centen verdienden in de Bundesliga, toendertijd de betere zoniet de beste handbalcompeitie van Europa en omliggende straten. Hoewel ik tijdens de heenreis nog dacht hoog te kunnen vliegen, ben ik sportief, nooit harder met de voeten op de grond beland dan die avond tussen de handballijnen van dat vulkanisch eiland. Om nederig te worden moest ik blijkbaar eerst de handbalvikings van Ijsland ontmoeten. Ik had het eigenlijk op voorhand moeten weten want, vele jaren tevoren was ik al een keer onzacht met een Deense Viking in aanraking gekomen, al had zij van mijn waardigheid nog iets overgelaten toen ze er met mijn hart van onder gemuisd was. Maar dat is een hele andere hystorie.

Een jaar of zestien zeventien zal ik geweest zijn toen ik dacht te weten hoe het leven in elkaar steekt. Mijn mond was toen vele malen groter dan mijn verstand, maar eigenlijk wist ik van het leven maar zoveel als een koe weet van saffraan eten, niks dus. Onze pa kon dat schoon zeggen, wanneer ik het op school weer eens veel te bont had gemaakt, dan zei hij, ‘zoon ge peinst dat ge het allemaal al weet, maar uwe grote bek begint maar daar waar uw stom verstand eindigt.’ Over mijn hart werd niet gesproken, dus begreep daar ik ook niets van, al kon ik daar niet grootmoedig over doen, want ik had al aan den lijve ondervonden dat ik dat ook heel snel kon kwijtraken, ongeacht de hoeveelheid branie dat ik uit mijn nek kletste. ‘S avonds in mijn bed, met mijn kussen als enige troostend gezelschap, mat mijn één meter drieënnegentig dan vele malen kleiner dan wanneer ik er overdag mee tussen mijn soortgenoten parradeerde die op dezelfde manier probeerden branie te schoppen en te verdoezelen dat ze eigenlijk even onzeker en sukkelachtig waren als ikzelf.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat nederig en bescheiden worden noodzakelijk is om het leven een heel klein beetje te begrijpen want in de tweeënvijftig jaar die ik binnenkort op deze aardkluit loop druk te doen, heeft mij nog nooit iemand op heldere of overtuigende wijze de belangrijkheid van vluchtig succes of van overroepen machtsvertoon kunnen uitleggen. Mijn hart is al een paar keer gelijmd en ik heb nog steeds niet geleerd om kemels te vermijden. Soms probeer ik nog altijd de slimste te spelen ook al versta ik van het leven niet veel tot niks. Nu weet ik pas dat ik het leven nooit helemaal zal kunnen begrijpen, en laat dat nu hetgene zijn wat ik zeker weet. Met al de rest ben ik ook nog bezig, om het te vergeten.

Isoleercel

Nu aangezet worden tot nog meer alcohol te drinken omdat de sociale controle wegvalt is of net nu, eerder minderen door te controledrinken omdat de groepsdruk er niet meer is? Wat doe jij? Misschien is het waardevol om nu voor jezelf eens na te gaan welk soort drinker jij bent? Vele mensen vragen mij of ik het nog allemaal onder controle houd. Met dat niet drinken lukt het nog wel maar mijn gedachten ontsporen nog zeker even hard als toen ik nog zoop al hoef ik er niet meer van weg te vluchten. Ik zou ook niet weten waar naartoe…. naar mijn isoleercel misschien?

Nuchter ben ik nog meer dan toen ik nog dronk, een groot vat vol tegenstrijdigheden geworden. Ik verkeer, zo zou een psycholoog me zeggen in continue tweedracht met mezelf. Doorgaans ervaar ik geen fantastisch grote levenslust maar evenmin ontbreekt het me totaal aan een verlangende drang naar het einde. Nu ik opgesloten ben in mijn isoleercel en ik groot mag dromen, flirt ik met de waangedachte ooit een gerespecteerd auteur te worden.  Het valt me op dat ik in alle omstandigheden de aandachtshoer blijf die gezien en gehoord wil worden, bewonderd, gewaardeerd en gerespecteerd, het liefst door iedereen. Zo lang ik het me kan herinneren ben ik namelijk al op zoek naar bevestiging van iemand die mijn worstelingen en roerselen begrijpt, ze sust en ze weg kust.  Maar tegelijkertijd ben ik ook een einzelgänger die leeft als een eenzaat of als kluizenaar en tussen die twee ego’s in balanceer ik op een slappe koord. Soms meng ik me in de drukte, dan weer verberg ik in mijn eigen cocon om mezelf te temmen, om er tot rust te komen maar zeker ook om er mijn gedachten te inspecteren of ze waardevol zijn dan wel belemmerend. Daar en nergens anders heb ik geleerd om alleen op ontdekking te gaan, alleen op pad om nieuwsgierig om te achterhalen wat er zich achter de horizon nog bevindt, naar wat ik nog niet ontdekte en waar ik misschien nog hevig naar verlang zonder dat ik me daar bewust van ben. Achteromzien naar de afgrond waar ik uitgekropen ben, doe ik nog maar zelden, omdat ik daar niets meer kan veranderen maar ook omdat het me niets goeds bijbrengt.

Als het leven doorweegt en pijn doet of wanneer het lastig wordt, zoals vandaag recht ik mijn rug en probeer ik van al dat onheil afstand te nemen. Letterlijk, ik sluit me dan op en vermijd alle contact of ik ga in mijn eentje naar buiten om het denken te stoppen. Op die manier kom ik een beetje los van mezelf en van die dwingende gedachten en oncontroleerbare scenario’s die me onrustig maken.

Ik aanvaard dan wat ik niet kan veranderen en verander ik wat ik kan veranderen al ontgaat me vandaag de wijsheid om tussen deze twee het onderscheid te maken. Morgen is er gelukkig weer een dag dan lukt het me misschien wel, zo niet schrijf ik het nog maar eens op, met andere woorden of met andere gedachten.

Gelukzalige baby.

Vroeger toen ik nog zoop, een activiteit die veel tijd in beslag nam, was dat zwelgen noodzakelijk om een minder dramatisch zicht te krijgen op mezelf, ongeacht wat de feiten waren, ofwel heel erg onderschat ofwel fel overdreven afhankelijk hoe ik er het beste uitkwam. Ik dreef aan de oppervlakte van begrijpelijke leugens met daaronder onbegrijpelijke verborgen waarheden. Ik voelde me dan geen hypocriet of veinzer met één gezicht en vele maskers, neen ik had gewoon zoveel gezichten afhankelijk van de situatie, omdat ik niet wist wie ik was of wilde zijn. Stoppen met drinken of ouder worden heeft daar niet veel aan veranderd. Ik denk dat ik wat dat betreft leeftijdsloos en hardleers ben. Of wat had je verwacht van mijn leermeesters die koppigheid en minachting heetten. Voor mijn drooglegging vulde ik jullie oren en monden met waarheidsgetrouwe leugens en veel betekende beloften om ze wat later in jullie gezicht weer uit te kotsten. Dat kotsen is gestopt maar tegen beter weten in blijf ik streven naar het onbereikbare. Ik blijf er dan zolang langs alle kanten met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang zodat mijn hart uit mijn mond valt. In mijn hoofd blijf ik maar foto’s maken van dingen die ik nooit zal zien en als ik dan al eens een wijs inzicht heb, wat doorgaans niet heel dikwijls voorvalt, leef ik niet naar de principes die ik verkondig als een overtuigde boeddhist. Dat doe ik als ik het weer eens denk het allemaal te weten.  Voor de rest van de tijd blijf ik mijn hoofd rondjes te draaien, zit ik op mijn gat of probeer ik een puinhoop te imiteren, wat dan meestal wel van de eerste keer lukt. Van al dat gepieker ben ik zeker al een paar keer gestorven, gisteren nog denk ik. En zo lig ik in polepositie om een oude bejaarde knor te worden, vol van mezelf zonder ooit echt geleefd te hebben maar nog steeds met de overtuigde illusie dat ik daarvoor nog genoeg tijd heb terwijl ik die aan het verschijten ben met me druk te maken in vrouwen, in mannen, in exen, in anderen, in politiek, in de kleur van het behang en in het geslacht van de engelen.

Naast koffie maken is bezwijken aan suïcidaal nihilisme dus het enige wat ik tegenwoordig doe. Maar jullie hoeven zich geen zorgen te maken want ik moet eerst nog veel schrijven, koffiedrinken en peuken paffen, dan volgt de rest vanzelf wel. Zo ben ik vastberaden om weg te rotten in boeken die volgeschreven zijn met nietszeggende zinnen en nutteloze wijsheid, maar daarin zal ik herboren worden, ooit, als een gelukzalige baby die al de bagger in zijn volgescheten pamper heeft achtergelaten.

%d bloggers liken dit: