Levensmuseum

Niemand, geen enkele van al de mensen die ik vandaag tegen het lijf botste, was jij. Gisteren niet, de dag tevoren niet, en al evenmin, al die andere dagen van het afgelopen jaar. Ik moest daar aan wennen, aan die glazige afwezigheid. Al heb ik soms heel hard gevoeld dat je er op een onbegrijpelijke manier toch was. Alsof je van dichtbij, vanuit de massa of van over een vreemde schouder mee keek. Het was precies of je me ongemerkt volgde, met die veel betekenende, tandeloze glimlach van jou. Met die goedhartige grijns die tweedracht kon ontwapenen. Op andere momenten dan weer, keek je met die bekende afkeurende frons, om me even stil te laten staan, bij wat voor nonsens ik uit mijn botten aan het slaan was.

Vroeger kon ik die dingen eerst met jou afstemmen om op die manier de grootste levensblunders te vermijden. Op die momenten werd het ene woord al wel eens luider uitgesproken dan het andere, want we konden het soms heel hard met elkaar oneens zijn. We konden elkaar dan zo uitdagen met een tegenstrijdige ziens wijze dat er ‘kattekesspel’ van kwam. Jij provoceerde mij dan of ik jou, afhankelijk van wie met zijn mening het dichtste bij de waarheid zat. Dit jaar bleef het stil. Muisstil. Het hele jaar lang.

Hoewel ik je dat eerbetoon graag gegeven had, kon ik niet voorlezen op je zwanenzang. Omdat het verdriet te groot was en omdat in een open wonde geen zout moet gestrooid worden. Ik heb het mezelf ondertussen vergeven, al blijft dat moment van zwakte soms wel knagen. Ik had op dat moment best wat meer haar om mijn tanden mogen hebben. Jij had het vast wel gekund met je stoïcijnse kalmte. Ik ben daar zeker van.

De laatste maanden was je er niet meer helemaal bij. Je dwaalde door de breedtegraden van de tijd en haalde dan al de dingen door elkaar. Je kaars is heel langzaam uitgedoofd, om zo lang mogelijk licht en warmte te geven, denk ik.

Ik had nooit kunnen vermoeden, dat nadat jij je aftocht had geblazen, er ook een stukje van mij zou doodgaan. Ik ben me daar na een jaar stilte, heel pijnlijk van bewust. Plots en zonder waarschuwing was ik mijn klankbord kwijt. Het reflectiebord dat me altijd bevestigde of me met overtuigende argumenten tot andere gedachten kon brengen en dat is een gemis waar ik moeilijk aan gewend raak.

‘Zoon, ainsi va la vie!’, zou jij nu zeker gezegd hebben. En dat op voorhand weten, voelt vertrouwd. Het brengt rust en aanvaarding want met die gedachte ben ik overtuigd en gerust dat ik heel goed weet hoe jou klok tikte en ik je helemaal door had.

Alle herinneringen zijn dicht bij mij opgeborgen in een souvenirkistje waarvan ik alleen de sleutel bezit. Het is een soort levensmuseum van grote emoties, geschilderde beelden, onuitgegeven manuscripten en gevatte uitspraken.Ze zitten allemaal achter slot en grendel bewaard. Tot ze hier mogen ontsnappen, in uitspraken die die jouwe hadden kunnen zijn. Om op die manier voor altijd verder te blijven klinken in stomme verhaaltjes die er niet toe doen.


Nachtgesprek.

 

Ik spreek soms tegen haar. Stom he? Ik doe dat meestal s’ avonds. Alleen, wanneer het stikdonker is en ik zeker ben dat niemand kijkt of luistert. Vanop mijn terras staar ik omhoog, in het zwarte zwerk. Ik inspecteer het donkere hemelgewelf en de maan en ik ontwar de sterren en hun beelden tussen de grijze wolken. Ik steek een sigaret op en beeld me in dat ze daar ergens rondzweeft, dichtbij hemelpoort zeven.

Een dialoog kan je het niet noemen want door de band genomen, voeren we geen diepzinnige gesprekken met lange epistels en uitgerekte standpunten. Neen, ik geloof dat ik meestal alleen aan het woord ben en zij luistert gewoon maar, als ze al luistert. Het is net zoals vroeger eigenlijk. Toen kon ze met haar binnensmonds geprevel ook de indruk geven dat ze helemaal je aandacht had, terwijl ze eigenlijk met haar gedachten ergens anders vertoefde. Hoewel ze soms ook wel het hoge woord voerde. Om zich te beklagen en om me in haar taaltje, fors de les te spellen of om me te zeggen dat ik het wat kalmer moest aandoen. Ze zal wel gelijk gehad hebben. Zoals gisteren…

 

 

<‘Ah zijde daar eindelijk? Zeg, waarom schrijft ge feitelijke nooit eens iets over mij in uw boekskes? Ik ben toch uw moeder? Of zijt ge dat allemaal al vergeten?’

>‘Vergeten? Ik ben niets vergeten. Alles weet ik nog. Ik had alleen niet verwacht dat ik u hier, zou tegenkomen. Hier in het duister van de nacht en dat je eindelijk eens iets zou terug zeggen. Ik sta hier meestal moederziel alleen in de nacht te brabbelen.’

< Ja, manneke, gij zijt ook altijd zo in gedachten verzonken en zo met uw eigen zaken begaan, dat ge me niet hoort of niet ziet. Juist gelijk vroeger.’ ‘Alles en iedereen moest altijd al wijken voor uw ideeën en plezierekes.’ ‘Hoe dikwijls heb ik dat niet gezegd tegen onze Jef.’ Die kleinste, ik weet niet waar dat hij nu weer mee bezig is maar veel goeds zullen we daar maar niet van verwachten. Daar gaan weer vodden van komen, schrijf het maar al op.’

‘Alles moest altijd verlopen hoe dat gij het in uwe kop had en als ge iets in uwe kop had, had ge het niet in uw gat he.’ ‘Pakt nu uw studies. Eerst ging ge boekhouder worden.’ ‘Toen ge daar in den tijd mee voor de pinnen kwam zei ik tegen onze Jef, daar zal veel volk naar komen zien, hij kan nog niet met zijn eigen pree omgaan, laat staan met die van een ander.’ ‘Dat zijn kosten op het sterfhuis heb ik toen gezegd en ziet, een boekhouder is er aan u niet verloren gegaan he manneke.’ ‘Dat stond hier toen al in de sterren geschreven dat ge daar geen prijzen in ging halen.’

‘Als ge dan het jaar nadien, met al uw buizen in uwe zak thuis kwam en ons op uw blote knieën kwam smeken om het nog eens te proberen in de communicatiewetenschappen, had ik daar wel een beter oog in.’ ‘Want klappen, dat kon ge als den beste, nu nog trouwens zolang het maar niet in een vreemde taal is en zolang ge niet te veel moet uitsteken.’ ‘Uw lui zweet is rap gereed en ge weet wat ze zeggen he: ‘Een ezel zweet al van te kakken’. ‘Luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden zou ons Heer over u gezegd hebben.’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, van werken had ge een broertje dood he. Altijd al gehad en nu nog peins ik, al zie ik je af en toe wel al eens achter het fornuis staan of een stofzuiger vast pakken. Dat hebt ge van ons vader geloof ik, die mens heeft ook altijd mee zijne nikkel afgedraaid in het huishouden.’

‘Nu dat ik toch bezig ben. Zeg, zoon, dat boekske?  Serieus, moest dat nu?’ ‘Voor wie zijn heiligen hebt ge dat nu weer gedaan? Waarvoor of voor wie smijt ge feitelijk al uwe vuile was op ’t straat?’ ‘De mensen hebben daar toch geen affaires mee?’ ‘Peisde nu echt dat ge daar iemand een dienst mee bewijst?’ ‘U zelve ja, maar ziet toch maar uit uw doppen, dat ge genen dikke nek krijgt want soms denk ik dat ge peinst dat ge Herman Deconinck zijt.’

‘Past op, ik ga alle redenen plaats geven’: ‘Chapeau dat ge gedaan hebt hetgeen ge gedaan hebt, ik zou het niet gekund hebben. Maar om dat nu zo in het lang en in het breed, allemaal in een boekske uit te smeren.’ ‘Ik heb er mijn gedacht van maar ja naar uw moeder luistert gij toch niet he.’

‘Gij zijt nog geen haar veranderd, misschien een rimpeltje meer aan uwe mond maar ik ga het zeggen gelijk dat ik het peins. Klinkt het niet dan botst het maar. Ik vind wel dat ge het precies wel wat hoog in uwen bol gekregen hebt.’  ‘De laatsten tijd klapt ge zelfs al op de letter.’ ‘Soms zeg ik dat hier tegen onze Jef.’ ‘Die kleinste, die is al lang vergeten van waar dat hij gekomen is met zijn Jannestreken.’  ‘Juist uw vader. Zeg ik dan, want die dacht ook altijd dat hij Rockefeller was.’

‘Maar, bon ik ben de piste in nu. Ik heb genoeg op je dak gezeten en ik moet hier nog al die kruiswoordraadsels oplossen. Voor dat ik het vergeet.’ ‘Breng de volgende keer eens een paar pakjes blauwe Belga filter mee en een fles porto, ah nee want dat moogt gij niet drinken zeker?’

‘Doet ze daar allemaal de goeiedag ik zijn naar huis …’

Voor de goei.

 

…“Moeder, hebt ge mijn wit hemd gesteven? Is mijn kostuumbroek geperst en waar hebt ge begot mijn bretellen gelegd? Ik wil opgekleed naar de keus. Vandaag ben ik evenveel waard als die kiesmannen Want vandaag hebben ze mij van doen. Pas op, morgen zijn ze mij vergeten. Ik maak mij geen illusies. Ik ben niet aan mijn gat gedoopt. Dedju! 

Voor den Bsp stem ik niet meer. Die rooi, dat zijn juist radijzen. Rood genoeg langs den buitenkant, daar niet van. Maar spierwit, langs den binnenkant. Sinds die mannen hun overall gewisseld hebben voor een kostuum is het vet van de soep. Die zijn ineens allemaal vergeten van waar ze gekomen zijn. Uit welke broek ze geschud zijn. Als die morgen mee aan de vetpot kunnen lekken, zijn ze vandaag al vergeten wat ze ons gisteren beloofd hebben. Weet ge wat het zijn? Arrivisten! Wat zeg ik arrivisten, dat zijn ze! Dedju!

Zwijgt me van Willy De Clercq “de Vlerk” van de P.V.V.  Dat is pas een rasechte meeloper. Die zit in de zak van Vanden Boeynants. Die mag alleen, geletterd, met zijn schoon dictie en met evenveel krullen als op zijne kop, zijn gedacht zeggen.  Zolang dat maar het zelfste is als dat van “Polleke Panch”.  De zakkenvuller! Wat zeg ik een zakkenvuller, dat is hij. Dedju!

De C.V.P.  Breek me de mond niet open. Vanden Boeynants is misschien een idealist zonder illusies maar voor mij blijft hij nen illusionist die pensen doet veranderen in stemmen. Brussels krapuul! Wat zeg ik Krapuul. Dedju!…

En de Volksuniedat zijn zwetterikken! Dedju. Zwetterikken. “

Verkiezingen 40 jaar geleden ten huize Pultau. In zijn gesteven kostuum trok hij moedig ten strijde met één stem in zijn borstzak.

Diplomatie, takt en beleefde welbespraaktheid, werden me niet altijd met de paplepel opgelepeld. Onze pa zei het fors, met een vloek en met een vuist op tafel. Maar hij liep niet mee met de hoop. Ondanks zijn werkbroek en zijn dagelijkse schoofzak vormde hij zijn eigen gedacht en durfde daarvoor uit te komen. Het mocht klinken en botsen. Dat deerde hem niet. Hij kwam op voor zijn gedacht en liet zich niet of nauwelijks beïnvloeden door wat de grotere massa zei of dacht. Wat ben ik blij dat ik dat van hem geërfd hem al zeg ik het niet zo straf met een vloek. Dat doe ik nu ook niet.

Ik heb gewoon maar gestemd. Met een gestreken hemd, met mijn broek in de plooi en met mijn zondagse schoenen aan. In eer en geweten!  Voor de goei! 

Onder het behang

Geuren leiden naar herinneringen. Vraag me niet waarom maar opeens dwalen mijn gedachten af naar mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten dat veel te benepen pand ergens begin jaren zeventig. Hoewel het “goeden tijd” was en ze zich veel ruimer hadden kunnen zetten, was het er eigenlijk veel te klein om er groot in te worden. Er waren twee piepkleine slaapkamers zonder verwarming. Het was eigenlijk zo een typisch Vlaams huis met achtereen gebouwde koterij. In de badkamer, waar je je gat niet kon in keren, was het ofwel te koud ofwel veel te warm. Gedurende de week was het er eigenlijk alleen maar s’ morgensvroeg warm en op zaterdag, dan ook. Want dan mochten we in bad. Die piepkleine ruimte was dan zo bedompt dat je je naam kon schrijven in de aan gewasemde spiegel of in de faience-tegeltjes. Het badwater, dat minstens twee keer moest dienen was ook steeds, ofwel te heet ofwel te koud, afhankelijk van of je er als eerste dan wel als tweede in kon. Ik moest me altijd eerst van boven tot onder inzepen met een blok sunlight zeep waardoor ik precies een bruistablet was, wanneer ik dan eindelijk in dat hete water mocht. Ik bleef er dan meestal zo lang in tot ik helemaal verrimpeld was en rook naar de appeltjes die op het etiket van die grote bus shampoo stonden. Shampoo die trouwens ook dienst deed als veel te veel badschuim waardoor het badwater steeds appelblauwzeegroener kleurde.

Mijn vader en moeder konden zich vast en zeker iets veel groter permitteren dan dat kleine arbeidersrijhuis maar mijn vader was voorzichtig en spaarzaam op zijn pree. Ons ma trouwens ook. Naderhand beschouwd misschien te voorzichtig maar dat is gemakkelijk gezegd als je kan terug blikken en weet wat je weet. “Ge moet sparen, voor later. Voor als het eens tegen zit, Dan moet ge ook nog nen biefstuk kunnen eten”: zei ze terwijl ze snijbonen of tomaten aan het inmaken was, voor in de winter. Die groenten van op het land werden dan eerst geblancheerd, in van die glazen bokalen die op het gasvuur eerst steriel moesten gekookt werden. In een reusachtig grote, grijze, ijzeren ketel. Ik weet nog dat ik dan eerst met een primitief ding kilo’s snijbonen van uit den hof mocht draaien, tot gans het huis naar snijbonen stonk.

Om de drie, vier jaar gebeurde het. Dan kwam het op als het vliegend schijt. “Als gij iets in uwe kop hebt, hebt ge het niet in uw gat”: zei mijn vader dan. Al pruttelde hij meestal niet lang tegen. Mijn moeder was een verstokte roker. In grijze wolkjes blies ze de hele dag door kringetjes uit haar blauwe Belga filters, waardoor de kleuren van het bloemetjesbehang in de keuken veel te snel vergeelden. Meestal had ze met een plamuurmes al een deel van het papier afgestoken waardoor onze pa niet anders kon dan naar “Piessens” te rijden. Voor nieuw bloemetjesbehang met een moderner motiefje.

Nieuw behang was altijd een belevenis. Als de muur helemaal “oud-papiervrij” was, konden we aan het streepjes op de muur zien hoeveel centimeters we gegroeid waren tegen de vorige keer dat er “getappisseerd” was. In potlood schreef onze pa er dan altijd de datum bij en een stomme uitspraak. “6 centimeter in vier jaar, dat gaat hier een gat vooruit!” of “Ge weet toch dat elke tand in uwe kop ne klomp goud waard is”. Zo van die dingen schreef hij. Naar mate we ouder werden raakte de hele muur in de keuken vol geschreven. Met wijsheid of met onzin.

Mijn keukenmuur is niet behangen met modern bloemetjes behang. Daardoor is hij daaronder ook niet volgeschreven met volkswijsheid van onze pa. Dat hoeft niet zo om te weten dat het begot een gat vooruit gaat en dat elke tand in hune kop een klomp goud waard is.

Alles wat ik weet

 

Toen ik klein was, amper een duim hoog, deed ik het al. Ik blufte, sprak groot en hakte op, tegen andere snotapen die het beter wisten. Tegen de juf of tegen ons ma en bij uitbreiding tegen iedereen van wie ik vermoedde dat ze me zouden zeggen hoe het moest. Hoe het hoorde, om er te komen. Ik deed het om meer man te zijn. Althans meer man voor de centimeters die ik maar groot was. Ik wist het allemaal al en veel beter dan de rest. Het was maar het begin, daar ergens in de lente van het leven. Wist ik veel dat ik nog moest rijpen om zoet te worden.

Op 17 was ik overtuigd het wel te weten. Zeker!  Deze keer wel. Nu zag ik het in. Ik kon beseffen en ik kon bevatten. Ik dacht te weten wat het leven in voor mij in petto had. Nu zou het lukken want ik had al eerste zachte eelt op mijn ziel. Ze zouden me niet opnieuw vangen, voor dat zelfde gat.  Ik had mijn lessen goed geleerd en ging het maken. Recht op mijn doel af, hongerig en bezeten.

Als ik me nu soms terugtrek in mezelf en ik kijk naar de wereld waar ik miljoenen passen in zette, snap ik nog steeds niet hoe hij draait. Hoe hij steeds verandert, snel gaat en soms stopt. Hoe wetten ervan omslaan en er nieuwe in ontstaan. Negenentwintig was ik. Dan wist ik alles. Alles over de liefde en hoe het niet werkt. Over rozen met doornen en over het leven. Over vrouwen en geld en over hoe ik van beide steeds te kort had. Ik dacht echt dat ik alles al had gedaan. Ik had gereisd en al een stukje wereld gezien. Ik had verspild, gehoerd en geboerd. Ik had harten gebroken en gelijmd. Ik wist het nu wel. Hoe het in elkaar steekt, dat leven. Maar ik had mijn korsten nog niet op. Wist ik veel, daar in de helft van mijn leven. Maar misschien leerde ik dan wel wat het belangrijkste is. Ik schrijf het hier snel op in vier, vijf woorden. Om het nooit te vergeten. De dag dat je iemand ontmoet waar het mee klikt, is de mooiste. Ik geloof niet dat ik het beter kan zeggen. Het is de mooiste. Nachten van stil verdriet raak je kwijt. Die vervagen en worden gewist in een logica die ik niet begrijp. Maar nooit de ochtenden. Die vroegtes van intense, verliefde tederheid. Die blijven plakken. Voor altijd. Zoals de zoute lijven in de lakens gedraaid waarin ze ontwaakten.

Gans mijn jeugd, en tot gisteren wou ik jullie overtuigen dat ik het wist. De waarheid is dat hoe langer ik er achter zocht des te minder ik vond. Des te minder ik er van af wist. En nu ik in het blauwe van mijn scherm staar weet ik het wel. Ik weet dat ik het nooit zal weten. Dat ik er niets van begrijp. Van het leven, van geld, van vrienden en van vrouwen. Van de liefde of van de kleur van rozen. Dat is alles wat ik weet. Maar dat, dat weet ik wel zeker!

%d bloggers liken dit: