Categorie: ik

Onverzadigbaar ego

Dit is uit het leven gegrepen dus sta me alstublieft toe om mezelf in dit verhaal met het persoonlijk voornaamwoord ik te benoemen. Dat sluit misverstanden uit over mijn persoon en over wie dit geschreven heeft. Ik dus, of toch niet helemaal?

Door mezelf op deze manier in vraag te stellen, iets wat ik de laatste weken heel hard doe, maak ik het wel heel filosofisch. Ik weet het, maar doe het toch omdat het me aan bewijs ontbreekt of ik wel alleen verantwoordelijk ben voor dingen die ik denk, doe, voel of schrijf. Natuurlijk maak ik keuzes en maak ik plannen. Dat doe ik elke dag net zoals iedereen. Welke kleren draag ik, ga ik op reis, zal ik me scheren of niet, eet ik of vast ik enzoverder.  Ik maak bijvoorbeeld ook bewust de keuze of ik dit stukje tekst schrijf, uitgom of publiceer.  Ik kan er dan ook niet buiten dat ik die keuzes maar kan maken met de beperking van de hersenen die ik gekregen heb. Ik heb ze immers niet zelf gekozen. Met andere woorden, elke keuze, groot of klein, elke beslissing, met of zonder impact, zijn het resultaat van het verstand waar ik niet helemaal zelf verantwoordelijk kan voor gesteld worden, en al zeker niet volledig.

Geen idee hoe mijn hersenfabriek werkt, laat staan dat ik weet hoe het gevormd is en welke aspecten of verbindingen daar verantwoordelijk voor zijn. Dat is me allemaal te moeilijk. Wat ik wel weet is dat ik mijn ouders en mijn opvoeding niet zelf gekozen heb, net zomin als zij dat zelf gedaan hebben. Evenmin heb ik kunnen kiezen tot welke informatiebronnen ik en zij toegang gekregen hebben en welke interesses ik ermee ontwikkeld heb. Laat staan dat ik over de tijdsgeest waarop ik op deze wereld terecht gekomen ben iets te zeggen heb gehad. Eigenlijk heb ik dus nauwelijks invloed kunnen uitoefenen op mijn biologische, mijn genetische, mijn emotionele of mijn wetenschappelijke erfenis. Ik heb er dus evenmin schuld of verdienste aan. Ik weet dat ik met deze relativerende gedachte alles op een fles trek, toch weet ik dat deze nalatenschap het functioneren van mijn hersenen in grote mate mee heeft bepaald. Sterker nog, al deze zaken zijn in grotere mate verantwoordelijk geweest voor wie ik vandaag ben dan al die zaken waarvoor ik mezelf aansprakelijk acht. Hoe kan ik ze dan opeisen?

Is het dan een rare kronkel om te vermoeden dat mijn gebrekkige aanleg voor wiskunde en logica, mijn totale desinteresse in macht en aanzien of mijn aangeboren gave om te voelen volledig buiten datgene ligt waarop ik invloed heb? Ben ik zelf dan verantwoordelijk voor mijn empathie of rechtvaardigheidsgevoel of ligt dat helemaal buiten mezelf?

Iedereen steekt graag pluimen op zijn hoed voor realisaties die tijdelijke aandacht krijgen maar die in het grotere geheel geen enkele waarde hebben. Misschien druist mijn persoonlijke relativeringstheorie in tegen de maatschappelijk opgelegde intuïtie, tegen de maatschappelijke verwachting of tegen de mythe van de verantwoordelijkheid. Dat kan, maar volgens mijn bescheiden idee is opgedrongen verantwoordelijkheidsgevoel niets meer of minder dan een fundamentele vertekening van ons normbesef. Want des te harder je gelooft in allesomvattende verantwoordelijkheid des te harder je geneigd bent om ongelijkheid als iets rechtvaardigs te gaan beschouwen. In die logica is dat immers een uitgelezen alibi om anderen te beschuldigen en te bestraffen omdat ze niet hard genoeg hun best gedaan hebben om te voldoen aan de illusie van de verantwoordelijkheidsmythe.

Zouden we dan niet beter proberen af en toe tijd nemen om uit ons opgeblazen ego te ontsnappen. Om samen tot de conclusie te komen dat wie je bent, wat je wil, hoe ver je ambitie ook reikt het er eigenlijk allemaal niet zoveel toe doet en dat iedereen evenveel recht heeft op geluk en connectie, en zeker net zoveel als diegenen die hopen om met hun onverzadigbaar ego de wereld naar hun hand te zetten.

De shortcut van het onverzadigbare ego is immers een doodlopende straat, je zal wel zien…

Huiswerk, of toch nog niet?

Gisterenavond stuurde ik Lou… “Het beeld van de kernreactor van Tsjernobyl die door een meltdown in zichzelf implodeert, leek me een gepaste metafoor om precies te beschrijven wat er zich in mijn hoofd afspeelt. Ik geloof dat ik je met gekrulde zinnen probeer duidelijk te maken dat ik het ècht meen om onbevooroordeeld met mezelf aan de slag te gaan en dat ik min of meer begrepen heb wat we besproken hebben.”

Ik schrijf, “Beste Lou, je vroeg me een andere toon te zoeken en andere woorden te vinden wanneer ik mijn gedachten op papier zet. Ik heb besloten om een dagboek bij te houden om te zien of me dat lukt. Ik ben heel erg benieuwd naar de evolutie van mijn woordenschat en of hij doorheen onze sessies dezelfde verandering zal doormaken als ikzelf.”

Op mijn berichtje verwacht ik niet onmiddellijk antwoord omdat ze me toevertrouwde dat zondag haar heiligdom is en ze in haar me-time met andere dingen zal bezig zijn, dan met losgeslagen patiënten.

Rond middernacht licht het scherm van mijn gsm op, bericht van Lou. “Jan, fenomenaal hoe jij schrijft.” Gevolgd door zes uitroeptekens. “Kleine verbetering, ik ben geen psycholoog”, gaat ze verder, gevolgd door een opsomming van alles wat ze wel is. Er volgen een resem titels en diploma’s van alle dingen die ze wel is, stuk voor stuk voorafgaand met het veel betekenisvol E-woord, ‘Erkend’.

 E-deskundige in verlies, E-familiaal bemiddelaar, E-burn-outbegeleider, E-systeemcounselor, E-verlieskundige etc… “Bijna acht jaar gestudeerd, maar dat is niet belangrijk”, schrijft ze. “Mijn ervaring en de kunst om aan te haken en te blijven is wat ècht telt.”  

“Wie is hier expert in zichzelf kleiner te maken?”, bedenk ik met een glimlach zonder aan die gedachte verder aandacht te besteden, hoewel ik mezelf toch op een lichte ontgoocheling betrap.

“Heb ik vandaag mijn toekomst, mijn hart en ziel in de handen gelegd van een life-coach?” Ik bestudeer die gedachte vanop afstand en vraag me af waar mijn weerstand vandaan komt.  Dat het internet overloopt van mensen die zichzelf expert-in, en life-coach-van noemen is wellicht een verklaring. Een andere plausibele uitleg is dat ik nogal wat mensen helemaal verknoeid heb zien worden door pseudo-huis-tuin-en-keuken-zielenknijpers die hoofden van patiënten lieten leeglopen om met de inhoud ervan hun portefeuille te laten vollopen.

In dezelfde reflex bedenk ik me dat deze kritische beschouwing een ingeving moet zijn die mijn oude zieke geest me influistert en me van een hanteerbaar excuus bedient om niet met mezelf aan de slag te gaan. Het klikte tocht met Lou. Ze heeft me toch de spiegel voorgehouden en me nieuwsgierig gemaakt waar mijn knoop zou kunnen liggen, en hoe het komt dat ik er totop vandaag niet in gelukt ben om hem los te friemelen. De suggestie, dat de wijze waarop ik naar mezelf kijk wél degelijk iets te maken kan hebben met mijn levensverhaal, zoals veel psychologen beweren, betekent dat er mogelijks iets in mijn verhaal moet veranderd worden. Er moeten relaties met het verleden verbroken worden. Misschien moet ik ergens afscheid van nemen.  Mogelijks moet ik een foute overtuiging herzien. Dat zijn toch juiste suggesties die Lou in onze eerste gesprekken heeft aangereikt?

Wat het ook is, we hebben een connectie die waardevoller is dan het vooroordeel dat probeert om me van mijn stuk te brengen. Mentaal wis ik de gedachte die in de weg zit om de volgende stap te zetten en voel opluchting door mijn lijf stromen. Negen jaar AA heeft me geleerd om weerstand, onnodige twijfel, excuses en zelfbeklag te herkennen, te begrijpen, er doorheen te stappen en ermee aan de slag te gaan. Laat maar komen dat huiswerk.

Lou, 8:45: “Jan, goedemorgen! Ik heb zonet jouw huiswerk verzonden .” 

“Betrap ik je nu op je eerste leugen? Niet werken op zondag? Dat zei je toch?  Tsss…”, antwoordt de socialist in mij die zondagsrust als een hoog verworven goed beschouwd omdat zelfs Adolf Daens in hoogsteigen persoon ervoor op de barricaden heeft gestaan en dat feit op de koop toe ook nog heeft mogen gaan uitleggen bij paus Leo de dertiende.

“Merci, en vergeet je koffiekoek niet.”, antwoord ik in de hoop dat Lou mijn gedachten kan lezen. “Psychologen”, excuseer me het woord, “self-made-deskundigen in hun vakgebied” hebben namelijk ook rust nodig.

De dag komt heel moeizaam en traag op gang. Na een koude plons in mijn zwemvijver, een gewoonte die ik uit Noorwegen heb meegebracht, één die ik dagelijks een aantal keer herhaal, vat ik het plan op om mijn huiswerk eens te bekijken. Het lukt nauwelijks. Snerpende hoofpijn speelt hard op. Ik kan me niet concentreren. Mijn aandacht neemt af en ik voel mijn slapen kloppen, alsof een oud gebouw met een boorhamer moet gesloopt worden.

Om wat afleiding te zoeken, scrol ik doelloos door mijn gsm en vind één gemiste oproep van een onbekend nummer en één uitgaande oproep van gisterennamiddag, naar datzelfde nummer. Ik herinner me vaag een gesprek, alleen weet ik verduveld niet meer met wie ik gesproken heb. Ik pijnig mijn gedachten maar kan me niet herinneren met wie ik gebeld heb. De hersenmist verontrust me maar laat de brain fog verder voor wat hij is. Niet alle zaken zijn even belangrijk of kunnen tegelijk aangepakt worden. Nog een AA-les die me vaak staande houdt.

Zowat alle redenen waarom ik vorige week beslist heb om Lou te zien en haar hulp in te roepen, hebben zich voorgedaan. Ik voel me door mijn eigen gedachten fysiek, mentaal en emotioneel weggeduwd, alsof ik niet besta. Het gemis aan connectie met mezelf en met anderen rust op mijn schouders en maakt me minstens een halve meter kleiner.  Ik doe vruchteloos pogingen om een beetje afstand te nemen van mezelf en van mijn gedachten.

De manier hoe ik naar mezelf kijk en ik gebeurtenissen uitvergroot maken me helemaal onzichtbaar en onzeker. Ik nestel me in mijn bubbel, zet mijn hoofdtelefoon op en tracht de kwelgeesten weg te schrijven. Met elke zin die ik uit mijn pen probeer te wringen wordt de hoofdpijn heviger. Ik sluit mijn ogen en probeer rust te vinden.

De afgelopen negen jaar hoorde ik doorwinterde AA’ers wel eens volgende uitspraak doen, “Eens je met de afwerking van jezelf begint, zal je merken dat stoppen met drinken nog het gemakkelijkste was…”.  Ik geloof dat ik nu pas helemaal begrijp wat daarmee bedoeld werd.

De wereld mag binnen

Jaren aan een stuk heb ik het gedaan, met misprijzen naar mezelf kijken door de ogen van een ander, om me met dat oordeel een valse identiteit aan te meten. Ik moet daarmee stoppen. De maskerade heeft lang genoeg geduurd, maar vooral, het heeft me niet veel waardevols opgebracht, integendeel.  Voortaan zal ik proberen om meer aandacht te schenken aan wie ik diep van binnen ècht ben. Ik hoop dat als me dat lukt, ik me op een betere manier in de wereld zal kunnen begeven, milder voor mezelf en zachter voor diegenen die er ook in dolen, net zoals ik. Maar, niet langer met de ongewenste druk die ik mezelf opleg, om door iedereen gezien te worden door een bril die niet bij me past, om goed- of om afgekeurd te worden. Ik moet niet broodnodig opvallen. Ik hoef niks te bewijzen want dat heeft niet veel opgeleverd.

De jaren verstrijken geruisloos en meedogenloos.  Elke hartslag van mijn leven wordt geteld en is zorgvuldig bijgehouden. Was het mijn verjaardag of was het iets anders, voortschrijdend inzicht, nuchterheid misschien?  Was het omdat een aantal belangrijke mensen mij recentelijk ontvallen zijn door gebeurtenissen die buiten mezelf lagen en ik daardoor mijn aards bestaansrecht evalueerde?  Het doet er niet toe. Wat er wel toe doet, is dat ik langzaamaan begin te ondervinden dat ik niet beter word van datgene wat anderen over mij denken, hoe ze naar me kijken of hoe ze over me spreken. Kritiek op wie ik ben, hetzij positief hetzij negatief is immers nooit juist gedoseerd.  Hij is nooit op maat gesneden van wat ik acceptabel, terecht of onterecht acht.

Als ze er mij zonder maskerade niet langer bij willen, hetzij zo. Als elke vezel in mijn lijf roept dat ik mijn geknutselde identiteit ontgroeid ben, hoef ik me er toch niet langer proberen in te wurmen?

Toestaan om mezelf sympathiek te vinden door mijn persoonlijke gedachten en emoties in een plooi te wringen zodat ze allemaal in een gietvorm kunnen, die niet bij me past, ik ga dat niet meer doen. Daarvoor schieten er nog te weinig hartslagen over. Onder de vermomming die ik van mezelf afgooi hoop ik onbezorgdheid en rust in mijn hoofd en hart te vinden, niet om de wereld te verstoppen maar nèt om hem binnen te laten!

Zullen we praten?

“He jij daar stilte, zouden wij niet eens praten?” Niet zo lang geleden heb ik stilzwijgen een naam gegeven. Het werd een persoon, een man of een vrouw, dat weet ik niet precies. Mij kennende zal het wel een vrouw zijn. Misschien helpt zij wel om dit “gesprek” een beetje op gang te trekken? Ik vraag het me af. Ik zie wel.

De lentezon komt op. Ze oogt nog een beetje verlegen.  De schuchtere zonnestralen geven de wereld een iets andere kleur dan vorige week. Blauwer misschien, of roder?  In elk geval minder grijs. Omdat ik geen schilder ben, en niet zo met kleuren bezig ben, geef ik verder geen aandacht aan deze kleurrijke gedachte. Ik ben gewoon al blij dat ze niet zwart-wit is, of grijs.   

Stilte en ik zijn het zonder woorden eens dat we van deze dag iets gaan maken. Ik begin aan mijn eerste kop koffie en aan mijn eerste sigaret van de dag. Het zullen voorzeker niet de laatste zijn. Wanneer de week te druk geweest is, en ik een trage dag wil, met stilte als gezelschap, zoek ik steevast beschutting op mijn veilige plaats. Dan zoek ik dekking in mijn vertrouwde prikkelarme bubbel. In mijn stinkende gelukzalige bubbel.  Stilte vindt het daar ook fijn denk ik.

Mijn grijze loungezetel met zes zitplaatsen is ruim voldoende groot voor stilte, voor mijn lijf, voor mijn ego en mijn gedachten. Aan hen en aan dit papier vertrouw ik altijd mijn diepste en intiemste gedachten toe.  De zetel, de kussens en stilte worden dan de enige getuigen van wat er zich tussen mijn oren afspeelt. Hen maak ik niets wijs. Bij hen zijn mijn denkbeelden veilig. Zij achtervolgen de schaduwen niet die ikzelf achterna hol.

Als de wereld straks opnieuw rumoerig wordt zal je me misschien vragen of ik stilte goed gekend heb.  Ik zal dan glimlachen en zeggen dat hij een oude vriend van mij was.  Dat hij lang in mijn bubbel heeft rondgezweefd maar dat ik hem al een tijdje niet meer gezien of gehoord heb. De droefheid en kommer zal dan uit mijn ogen verdwenen zijn.

Door te lang alleen met stilte op te trekken en er verstrikt in te raken, kom ik vast te zitten in de fantasie van mezelf. Dan loop ik risico dat de onrust die ik denk te voelen geen juiste plaats meer krijgt. Dat ik gistend onheil begin te verwarren met belangrijkheid, en dat is het niet.

“Zeg, stilte, zullen we dan toch niet eens praten? Een beetje lawaai maken misschien?”

De dag die ik het meeste vrees

Ooit komt die dag, omdat het leven ons die nu eenmaal opdringt. Een dag waarop jij jouw route zal kiezen en je eigen weg zult gaan. Ook al ligt hij nog ver voor ons, ik vrees dat ik hem nu al haat, die dag.  Wanneer die ochtend aanbreekt zal het er zeker geen zijn als een andere. Laat hem dan ook maar snel voorbijgaan. Mocht die dag zich proberen verbergen in een stralende zomerzon, zal hij toch een beetje koud aanvoelen. Je moeder zal me diep in de nacht achter zich aan naar huis moeten slepen. Ze zal me moeten ondersteunen. Ons vertrouwde huis zal donker, koud en eenzaam aanvoelen want jij zal er niet zijn.

Op die dag zal je de dingen die in mijn hart gebeuren niet opmerken want jouw ogen zullen de ganse dag stralen van blijdschap en geluk. Van mijn gezicht zal je een glimlach kunnen aflezen maar hij zal jou niet vertrouwd zijn. Ik denk dat je hem nog nooit zal gezien hebben. Hij zal lijken op een bewogen glimlach vol emoties, maar eigenlijk zal ik er gewoon een pijnlijke grimas mee proberen te verbergen.

Jouw hand vertrouwd rustend op mijn arm zal mijn stil verdriet verbergen. Mensen zullen mijn niet-gespeelde trots zien wanneer ik me door jouw vastberaden stappen naar voor laat leiden. Ik zal niet weten wat te denken of wat te zeggen. Met de romantische meditatie van een vredige kerk vol blije mensen als storend gezelschap zal ik mijn dapperste best doen om je af te geven aan de man van jouw keuze. Een man die jou van mijn naam zal beroven, om er je een andere te geven, een die ik nog niet ken.

Op die dag zal jij de leeftijd bereikt hebben dat alle deuren van je hart wagenwijd open zullen staan. Op die dag zal je ontdaan van alle ingebeelde kettingen de leeftijd bereikt hebben dat je in bloei zal staan zoals een roos in de sneeuw.  Vanaf dan zal elke ochtendzon jouw dageraad op een andere manier beschijnen.  Jouw moeder zal het vanaf dan, dag in dag uit, s’ zomers en s’ winters een heel klein beetje koud hebben. Net zoals ik.

Op die dag, die ik dus het meeste vrees, zal hij, die niets afweet van ons en niets gedaan heeft om jou al die jaren te zien groeien en rijpen, ons gemeenschappelijk verleden en ons gezamelijk geluk komen wegkapen, als dief van ons deel van het verleden en als zakkenroller van een belangrijk deel van ons bestaan. Ik kan niet anders dan hem nu al haten, deze naamloze, onbekende, gezichtsloze vreemdeling. En toch, mocht hij erin slagen om je gelukkig te maken zal ik niet langer hatelijke gedachten hebben. Neen, in mijn huis zal hij thuis mogen zijn. In jouw hand zal ik hem dan mijn schuchtere hart presenteren, goed wetende dat je van hem zal houden omdat ik zal weten dat jij dat ook zal doen, op die dag, wanneer hij ooit komt.