Er is ruimte voor zon!

Ik drink al bijna 8 jaar niet meer. Nu breng ik mezelf niet langer meer in de war met de toon waarop ik dat tegen mezelf zeg. Nooit meer drinken, dat was in het begin helemaal niet mijn bedoeling geweest, zelfs niet toen de dokter, vrienden, collega’s of mijn vrouw me zeiden dat ik bezig was met mezelf kapot te zuipen. “Ze moeten die dingen niet overdrijven, ik drink alleen af en toe wat te veel”. Ik ervoer hun oordeel als pure jaloezie, als een snood complot omdat zij allemaal in een veel te drukke schema zaten en dus nooit de tijd vonden om evenveel en zo dikwijls te kunnen drinken als ik. “Doe ze nog eens vol.” Maar dat was toen…

Ik zie ze dikwijls, mensen die het professionele drinken al een tijdje afgezworen hebben. Lotgenoten, die nadat ze eventjes droog staan met de gedachte rondlopen dat ze hiermee een onmenselijk zwaar offer brengen. Na verloop van tijd willen ze daarvoor dan hun beloning opeisen. Ze prenten zich in dat ze geleerd hebben uit het verleden en dat het hen niet meer zal overkomen. Ze menen het oprecht wanneer ze zeggen dat ze niet meer terug willen naar dat vroegere leven, maar ze willen ook opnieuw leren drinken als normale mensen die nog nooit voet gezet hebben in het duistere rijk der demonen. Wat ze het liefste zouden willen is, boven blijven drijven, aan de oppervlakte, in het licht van de zon. Ze willen niet wegzinken in het moeras en soms lukt dat, eventjes. Maar op die tijdelijke overwinning willen ze telkens opnieuw kunnen klinken met een wijntje, met een cava of met een pint. Ze zijn onwetend of kunnen het eenvoudigweg niet opbrengen om gewoontes te doorbreken en kunnen er niet voor kiezen om het geheugen van het lichaam te wissen. Het enige wat ze echt willen en waar ze krampachtig naar streven zijn duidelijke, haalbare, vast gelegde termijnen en onderhandelbare grenzen om te kunnen blijven drinken. Ze willen wel een tijdje stoppen of minderen. Een maand, twee maanden of een half jaar maar dan willen ze opnieuw de onbereikbare controle van een of twee glazen per dag. Een glas witte wijn in het weekend of dan juist niet omdat net dan iemand toekijkt aan wie ze beloofd hebben dat het onder controle is. Alleen tussen acht en tien uur ’s avonds of niet voor negen uur. Een glas dure rode wijn bij de juiste maaltijd of twee of drie pinten in het juiste gezelschap. Zo drinken ze dan een tijdje doordacht omdat diegenen waarmee ze het doen toezien en kunnen ingrijpen. Het liefst van al zouden ze een lijst opmaken met alarmbellen die allemaal afgaan wanneer het de verkeerde kant dreigt uit te gaan. Liever nog zouden ze willen dat ze die alarmbellen niet steevast negeren. Ze willen drinken en niet drinken. Ze willen het doen met een constante proefperiode van onbepaalde duur en met tussentijdse evaluaties waarin ze op elk ogenblik zelf kunnen ingrijpen om de drankvoorwaarden te veranderen. Hoewel ze er diep vanbinnen misschien hevig naar verlangen, is volledig stoppen ondenkbaar. Het zorgt voor verwarring, angst of ze zien het als verraad van hun heilige gevecht tegen de onzinnigheid van het bestaan of tegen het leven waarin ze zijn gestrand. Soms zelfs zien ze definitief stoppen als een inbreuk of een ontkenning van hun identiteit want de vaders van hun vader en de moeders van hun moeder hebben het hen voorgedaan. Ze willen wel proberen om limieten te stellen en afspraken te maken maar het lukt hen eenvoudigweg niet. Ze blijven de grenzen van zichzelf op zoeken om ze vervolgens uit te rekken tot een nieuwe grens. Ze zien stoppen met drinken alleen als een moeilijke strijd, als een zware prestatie maar nooit als een overwinning. Wanneer je jezelf inprent dat je nooit meer mag drinken, betekent dat namelijk nog steeds dat je met een torenhoog alcoholprobleem worstelt en die bekentenis willen ze niet afleggen, zelfs niet tegen zichzelf. De enige overwinning die voor hen proeft als een echte zege is opnieuw te leren drinken op een gematigde en gecontroleerde manier zonder een diep slijkspoor van problemen achter zich te slepen. Die koppige gedachte zet hen schaakmat. Ze kunnen of willen zich geen leven zonder drank voorstellen maar een compromis is er niet. Wie met een drankprobleem kampt maar ervoor kiest om eerlijk met zichzelf te zijn kan geen kant meer uit. Dan rest er niets anders meer dan definitieve overgave.  Dan dient elke strijd gestaakt en wordt elke strategie om dat te ontkennen een tijdbom op die intentie.

Wanneer ik het over “ze” heb in deze tekst heb ik het natuurlijk over mezelf.  Weten dat ik een levenslang probleem heb, stemt me niet langer angstig, opstandig of verdrietig. Ik voel me er ook niet meer schuldig voor.  Het weegt niet meer door. Mijn probleem dat ik mezelf had ingeprent of de gedachte dat ik dat probleem in eerste instantie zelf had uitgevonden draag ik niet langer meer alleen. Het voelt telkens als een opluchting wanneer ik er eerlijk kan over zijn. Als je het wil kan je het lezen. Als je het liever nog niet wil is dat ook helemaal ok. Je mag naar me kijken maar je hoeft me niet te feliciteren. Misschien ben ik door te stoppen met drinken wat kleiner en kwetsbaarder voor mezelf geworden, toch voelt het aan alsof ik meer ruimte inneem dan ooit tevoren. Soms is het nog lastig om niet te drinken en dat is goed. Het mag een beetje moeite blijven kosten anders wordt het vanzelfsprekend en dat ben ik niet meer. Vandaag gaat het goed en morgen, tja morgen, die dag bestaat nog niet.

De weersverwachtingen voor vandaag blijven onveranderd. Deze namiddag is vooral in de oostelijke helft van het land de kans op buien groot. In de Ardennen is er kans op smeltende sneeuw. Vanaf het westen komt er meer ruimte voor de zon. De wind komt uit het westen tot noordwesten en is matig tot vrij krachtig.

Er is ruimte voor zon. Dat is al wat ik onthoud. Met het vooruitzicht van zon kan ik altijd uit mijn eigen schaduw stappen.

Olifanten en Konijnen

De laatste tijd heb ik de gewoonte om net vooraleer mijn dag begint een piepklein lijstje te maken van dingen die ik zeker wil doen. Wanneer ik in de loop van de dag dan bijvoorbeeld ‘aardappelen schillen’ of ‘twintig minuten wandelen’ van mijn lijstje kan schrappen, gun ik mezelf het genoegen dat mijn dag al zinvol geweest is. Platte rust zal in mijn dagelijkse agenda nooit ontbreken, of wat had je gedacht. Omdat ik halsstarrig blijf weigeren een leven te leiden dat een optelsom is van dingen die andere mensen belangrijk vinden, is de kans niet klein dat mocht je beslag kunnen leggen op mijn bucket-lijstje, je dat vodje papier gigantisch belachelijk zou vinden. Veel meer dan een handvol ogenschijnlijk onbenullige krabbels staat er namelijk niet op. Toch geeft het telkens afvinken of doorstrepen van een kattebelletje mij het gevoel dat ik in beweging blijf, dat ik een kleine vooruitgang boek, maar vooral dat ik niet in mijn zetel of op mijn bureaustoel vastgeroest raak.

Het overaanbod nutteloze prikkels waaraan ik me ‘in het normale leven’ altijd heb blootgesteld lijken helemaal verdwenen. Het ingebeelde bezwaarschrift dat ik aan mezelf schreef om de rondspringende konijnen weg te jagen werd eindelijk gehoord en is ontvankelijk verklaard. Overbodige activiteiten zoals eindeloos, zinloos scrollen in mijn sociale mediafeed en commentaar geven op elk laatste trending bericht, waren rondspringende konijnen die dringend geslacht moesten worden. De dagelijkse ratrace van en naar het werk was nog zo’n Vlaamse reus die wat te veel plaats in het konijnenkot had ingenomen.

Nu het ‘vroegere normaal’ plaats gemaakt heeft voor een nieuwe realiteit lijken er opeens belangrijke dingen onder mijn neus te gebeuren die vroeger helemaal aan mij voorbijgingen. Dat is zonder twijfel het gevolg van het trage leven dat ik leid. Door bewust niet met ogenschijnlijk belangrijke dingen bezig te zijn, krijg ik ruimte voor de essentiële. Die dagelijks ingeplande me-time wil ik voor geen goud ter wereld meer missen.

Op mijn lijstjes lopen olifanten en konijnen mij niet langer voor de voeten. Hierdoor raken mijn gedachten geordend waardoor ik ze niet langer meer door anderen in vakjes hoef te laten duwen. Want hokjes dienen om borstels, dweilen en kuisgerief in op te bergen niet om gedachten en plannen in weg te stoppen. Ik ben zeker dat door overzicht te bewaken mijn ideeën vrijer geworden zijn. Ik durf dan ook te roepen: ‘Weg met opgedrongen verwachtingen’. Het zijn dieven in je huis. Ze stelen al de zaken die je waardevol en belangrijk vindt, ze verschuiven je meubels, beduimelen je ramen en trekken een modderspoor door de hal wanneer ze met hun vuile voeten je veilige huis betreden. Weg ermee!

Arrogante desillusie…

Zo een stoere rebel ben ik, dat het enige Witte Huis dat ik deze week bestormde, een bouwvallig luchtkasteel bleek te zijn dat ik in mijn hoofd had opgetrokken. In tegenstelling tot de gewelddadige Amerikaanse beeldenstorm bestond mijn ingebeelde reis van deze week alleen maar uit ongevaarlijke gedachtensprongetjes in min of meer aangenaam gezelschap.  Nu mijn trektocht achter de rug is realiseer ik me weer dat mijn tijd kort wordt en ik me beter een beetje zou haasten om ervoor te zorgen dat ik ooit bereik waarvoor ik hier ben. Hoewel die druk soms dwingend kan zijn, laat ik me door niemand opjagen. Ik ben mijn eigen baas. Hij, en hij alleen zal me ten gepasten tijde laten weten wanneer ik eraan moet beginnen en in het slechtste geval kom ik er wel achter wanneer de omstandigheden me ertoe dwingen.

Ik blijf geduldig want mijn leven is toch maar een eindeloze speurtocht met als speelveld een ongekend terrein waarop ik probeer te achterhalen hoeveel ik ertoe doe, en hoeveel niet. De enige hulp die ik daarbij heb, is een onleesbare kaart waarop wegen en kruispunten kriskras door elkaar lopen. Om de juiste bestemming te zoeken of om de afmetingen en de grenzen van mezelf te vinden, kan ik me enkel baseren op een onbegrijpelijke legende die me tegenstrijdige instructies toont. Hoe langer mijn ontdekkingsreis duurt, hoe vaker ik tot de vaststelling kom dat mijn queeste misschien alleen maar als doel heeft, dingen te vinden die ik niet bezit maar waarvan ik wenste dat ik ze had, en dingen kwijt wil waarvan ik eigenaar ben maar wenste dat ik ze niet had. Maar dingen zijn onbelangrijk, schoonheid daarentegen… Piekeren over streven naar het onbereikbare doet me er met open mond naar gapen, tot ik helemaal ondersteboven hang en tot mijn hart op dit papier uit mijn mond valt. Inzicht in mezelf en kennis van hoe ik in elkaar zit en is één ding maar wanneer je er teveel van hebt wordt het soms iets om bang van te zijn.

Nu ik herlees wat ik hier neergeschreven heb, kom ik tot de conclusie dat ik veel goed klinkende woorden bezit maar over veel te weinig daadkrachtige acties beschik die ermee overeenstemmen. Misschien is mijn leven gewoon maar wat prutserij dat ontstaat uit woorden die mijn bestaan interessanter proberen voor te stellen dan het in werkelijkheid is en wordt de zinloosheid ervan maar gemeten aan het aantal tegenstrijdige woorden dat ik erover op papier kan zetten. Laat dat nu zijn wat ik tegenwoordig nog doe, ik pieker, maak koffie en bezwijk aan suïcidaal nihilisme dat ik neerschrijf.

Mogelijks wil ik gewoon dat iedereen mij leuk vindt en zelfs dat idee op zich is een arrogante gedachte. Met die aanmatigende desillusie ben ik ooit al eens bijna aan mijn einde gekomen, vorige week nog, toen ik aan deze zoektocht begon.

Zacht vallen.

Toen ik sprong, wist ik niet waarin. Geen flauw benul had ik. Bang was ik wel want ik wist niet wat me te wachten stond. Triestig was ik ook, maar misschien was het beschamende gevoel gefaald te hebben en niet weten hoe de kar te keren, om weer een spoor te vinden, wel het pijnlijkste. Mijn leven, als je dat toen zo nog kon noemen, was één grote rotzooi. Nergens nog vond ik moed, hoop of kracht om het anders te doen, niet bij mijn lief, niet bij mijn kinderen en ook niet bij familie of vrienden waarvan ik er een hoop had. Die ‘berg’ vrienden was minstens even hoog of zelfs hoger dan de puinhoop die ik van mijn leven had gemaakt, maar hij was niet hoog genoeg om me niet in de verdommenis te zwelgen. Ik loog, ik bedroog en de woorden die ik brabbelde waren nog zoveel waard als de pinten waarmee ik ze doorspoelde. Al kon dat even goed wijn of iets sterkers uit de keukenkast zijn, wanneer al de andere flessen leeggezopen waren. Alles was prima zolang de flessen of kartons maar voorzien waren van een °-teken en dat er voldoende voorraad van was zodat ik me geen zorgen hoefde te maken of ik er genoeg van had om de dag mee rond te komen. Om maar te illustreren dat toen ik sprong, ik niet wist waarin.

Toen ik het besluit nam – of beter gezegd – toen ik onder lichte dwang het besluit genomen had, om het voortaan zonder te proberen voelde het aan alsof ik mijn beste vriend moest begraven, een die er altijd geweest was en die er altijd zou zijn. Wat zou mijn leven nog voorstellen of waard zijn als ik zelfs geen pintje meer mocht drinken?

Toen ik pas gestopt was, en zelfs vele maanden zoniet jaren later, keek ik nog steeds naar alcohol op dezelfde manier zoals ik het geleerd had, hoe mijn ouders het gedaan hadden en hoe de maatschappij of het overgrote deel ervan het deed. Alcohol hoorde bij het leven zoals sterven dat ook doet. Alcohol hoorde eigenlijk overal bij. Bij een geboorte, bij een overlijden en bij elke gebeurtenis die zich daartussen bevond. Elke grote of kleine situatie die zich voordeed, diende overgoten worden met alcohol of diende in- of uitgewijd te worden met voldoende ‘geestrijke drank’. (nu zeg ik liever ’geestarme drank’ omdat ik aan de lijve ondervond tot wat alcohol in staat is.) Bij elke geluk en bij elk verdriet paste een andere fles en bij elke fles hoorde een gepaste gebeurtenis. Tot er om te drinken geen gebeurtenis meer nodig was en tot ‘s morgens de ogen openen al de juiste gelegenheid was.

Nu de ‘alcholmist’ – die mijn denken, mijn voelen en mijn bewustzijn jarenlang vertroebelde en in het gareel hield – is opgetrokken, zie ik pas met welke donkere alcoholbril ik naar het leven keek. Nu pas kan ik op een heel andere manier naar het leven kijken om vast te stellen dat alcohol en de kunstmatige gezelligheid waarvoor hij zogenaamd verantwoordelijk geacht wordt, één grote illusie is, maar dat merkte ik pas toen ik gesprongen had en ik ben blij dat ik gesprongen heb want ik viel zachter dan ik dacht!

Fontein van de jeugd

Er bestaan mensen die elke regel van fatsoen negeren om hun leeftijd te verdoezelen, om er jonger uit te zien of aantrekkelijker. Mannen worden niet gespaard. Gilles Van Bouwel schreef er zelfs een boek over.

Persoonlijk maak ik niet zo een probleem van de voordeur die aan mijn gevel hangt, al moet ik ridderlijk toegeven dat ik geen feest geef wanneer mijn lijf of een belangrijk onderdeel ervan, het op een ongepast moment laat afweten. Natuurlijk merk ik dat mijn dagelijkse handelingen wat trager worden en dat ik psychisch een beetje minder aankan dan toen er minder haren uit mijn oren groeiden. Maar zit ik ermee?  Ik geloof van niet. Misschien, omdat ik de leeftijd der ‘patriarchen’ nog niet bereikt heb, al klinkt dat een beetje verwaand om dat zo te zeggen.

Het denken aan oude mensen doet mij afvragen: hoe oud is oud?  Ben ik echt zo oud als ik me voel of zo gammel als ik er uitzie en hoe kan ik de legendarische fontein van de jeugd haar geheim ontfutselen, gesteld dat ik dat zou willen? Met het boek van Gilles? Of bestaat er toch een andere handleiding die moet ik volgen wanneer ik de ambitie krijg om honderd jaar te worden?

Allereerst zou ik de genetische neiging moeten hebben om afkomstig te zijn uit een stam voorvaderen die dezelfde genetische neiging had om een lang leven te leiden. Verder zou ik al die dingen moeten doen waarover iedereen het al eens is dat ze gezond zijn, met inbegrip van al die saaie activiteiten zoals vet-, calorie- suikerarm diëten en het doen van gevreesde lichaamsbewegingen. Immers elke dag sporten, in welke vorm dan ook zou het leven met maar liefst vijf jaar verhogen want bijna elke bejaarde honderdjarige fietst nog op zijn hometrainer of duwt een rollator voort. Althans zo liet ik me wijsmaken. Een andere belangrijke suggestie voor een lange levensduur is het vermijden van nicotine en alcohol te vervangen door groene thee omdat daarvan wordt verondersteld dat de antioxidanten erin het levenseinde zou kunnen uitstellen. Toch blaas ik straks liever mijn honderdste kaars uit met de rook van de pijp waaraan ik op dat moment de hele dag loop te lurken, denk ik.  In de veronderstelling dat uitzonderingen de regel bevestigen, al reken ik niet al te fel op die regel.

Oude mensen en honderdjarigen in het bijzonder lijken een groep mensen te zijn die actief hebben geleefd, niet stopten met ademen en erin geslaagd zijn om de kanker, diabetes, hart- en vaatziekten en ongevallen te vermijden zodat hun pijp niet op jongere leeftijd gebroken is.

Met de vooruitgang die geneeskunde en gezondheid elke dag boeken en als er morgen geen nieuwe pandemie uit de hemel valt, is het niet ondenkbaar dat we binnenkort met zijn allen honderd of honderdvijftig worden. Indien straks zou blijken dat het toch allemaal wat tegenvalt met die leukigheid van het pensioen, mag ik me zeker het genoegen niet laten ontnemen om vandaag content te zijn, want honderd worden lijkt me een hele klus!

Misschien koop ik om mijn oud wordend mannenlijf een beetje te verzorgen het boek ‘Man-Ual’ van Gilles Van Bouwel wel, maar dan nog ben ik niet helemaal zeker of mijn ochtenderectie fors genoeg zal zijn en lang genoeg zal duren om er mijn ballen in te scheren! Ik laat het je nog weten.

%d bloggers liken dit: